Cultuur

Interview

Interview

Schrijver Edgar Hilsenrath: „Identiteitsverwisselingen kwamen zowel in de oorlog als erna veelvuldig voor."

Foto Koos Breukel

Edgar Hilsenrath: ‘Ik schrijf tegen het vergeten’

Zijn roman ‘De nazi en de kapper’ werd door 60 uitgevers afgewezen. Te veel humor. Nu is er een toneelbewerking.

‘Een kapper is een komisch beroep”, zegt de Duits-joodse schrijver Edgar Hilsenrath. „Hij bemoeit zich met klanten, spreekt onophoudelijk tegen hen in de spiegel. Gewapend met kwast en scheermes bezit hij een zekere macht.”

Woorden als ‘humor’ en ‘groteske’ vallen vaak in gesprek met de negentigjarige Hilsenrath (Leipzig, 1926). De auteur van de befaamde gettoroman Nacht (1964), de autobiografie De belevenissen van Ruben Jablonski (1997) en vooral de ‘romangroteske’ De nazi en de kapper (1971) is te gast in de Haarlemse Toneelschuur. Donderdag was daar de première van de toneelversie van De nazi en de kapper.

We bevinden ons in het decor van met wit linnen gedekte tafels. „Ik heb eigenlijk niets met theater”, zegt Hilsenrath. Maar zijn roman is wel vaak voor toneel bewerkt, zowel in Duitsland en Frankrijk als nu in Nederland. Geen van de voorstellingen heeft hij bezocht; voor Nederland maakt hij een uitzondering.

Dialoogkunst

Hilsenraths werk is zelf al verwant aan toneel. Hij beoefent met souplesse de dialoogkunst en ook de thematiek van De nazi en de kapper is toneelmatig.

Hilsenrath: „Ik schreef het boek in New York, waar ik na de Tweede Wereldoorlog twintig jaar woonde. Daar was ik volstrekt geïsoleerd, het enige wat ik las was Stefan Zweig en Dostojevski in vertaling. En heel af en toe een Amerikaanse roman. Daarvan leerde ik om veel gebruik te maken van dialogen, wat in de zo ernstige Duitse literatuur ongebruikelijk is.”

Foto Stephan van Hesteren

Scénefoto ‘De nazi en de kapper’. Foto Stephan van Hesteren

De romans van Hilsenrath veroorzaakten commotie in Duitsland. Met zijn moeder vluchtte hij in de Tweede Wereldoorlog naar Roemenië en Oekraïne. Hij overleefde de Holocaust en emigreerde naar New York. Later hielp hij mee met de opbouw van de staat Israël. In Nacht beschrijft hij de verschrikkingen van een joods getto in de Oekraïne, maar mét humor en satire. Voor het eerst in de naoorlogse literatuur legt Hilsenrath de schuld niet alleen bij de Duitsers: ook joden maken zich schuldig aan verraad tot de dood erop volgt, handel op de zwarte markt en zelfs het trekken van gouden tanden van slachtoffers die stervend zijn.

Lees de recensie van NRC van het toneelstuk: Bizar verhaal met fraaie balans tussen snedige spot en diepe ernst

Zestig afwijzingen

In De nazi en de kapper speelt hij een fascinerend spel met identiteit: een massamoordenaar uit de concentratiekampen neemt na de oorlog de identiteit aan van zijn joodse buurjongen, die hijzelf heeft vermoord. In Israël neemt hij het beroep van kapper aan. Niet langer luistert hij naar zijn Duitse naam Max Schulz, voortaan heet hij Itzik Finkelstein.

De meeslepende roman, doortrokken van zwarte humor, verscheen in 1971 voor het eerst in Amerika. Zestig Duitse uitgeverijen wezen het af. Hilsenrath krijgt een twinkeling in de ogen als hij terugdenkt aan de argumentatie: zo schrijft men niet over joden, zo schrijf men niet over de Holocaust. Pas zes jaar nadat de roman in Amerika en in tal van andere landen miljoenen keren verkocht, durfde een kleine Duitse uitgeverij het aan.

In tijden van oorlog is de grens tussen dader en slachtoffer nauwelijks te trekken, het is grijs gebied

Hilsenrath: „Men was bang dat het boek antisemitisch zou zijn omdat de grens tussen dader en slachtoffer niet is te trekken. De gangbare gedachte in het naoorlogse Duitsland was om de nazi’s alle schuld te geven en de joden vrij te pleiten. Maar in tijden van oorlog is de grens tussen dader en slachtoffer nauwelijks te trekken, het is grijs gebied. Daarmee zeg ik niet dat mijn roman waarheidsgetrouw is. Het is fictie; een gedachtenconstructie. Ik zeg niet dat wat ik schrijf waar is, maar dat het zo had kunnen zijn. Dat laatste is de premisse van al mijn boeken, die zich allemaal op de grens van fictie en werkelijkheid bevinden. Ik schrijf tegen het vergeten. Jonge generaties vormen mijn nieuwe lezers. Ik geef de verschrikkingen van de oorlogstijd aan hen door, maar doe dat wel met humor. Dat is mijn stijl.” In oorspronkelijke opzet was De nazi en de kapper een briefroman van SS’er Schulz aan de rechter, waarin hij bekent dat hij zijn jeugdvriend doodde en een joodse identiteit aannam. „Maar”, waarschuwt Hilsenrath, „dan was het te makkelijk geweest voor het Duitse publiek. Ik blijf het ruwe perspectief benadrukken. Identiteitsverwisselingen kwamen zowel in de oorlog als erna veelvuldig voor. Ook gingen SS’ers na 1945 verder alsof er niets was gebeurd. Identiteit bleek fluïde.”

Om de juiste toon voor de dialogen te vinden, liep Hilsenrath op het station van München heen en weer, hardop nu eens Max dan Itzik vertolkend: „In München begon de nationaal-socialistische beweging, daar ligt de bron van alle kwaad. Ik had een baantje op het station. Op het perron de stemmen van een nazi en een jood te laten klinken, dat was sensationeel. En inspirerend.”

Hilsenraths boeken: bij Ambo|Anthos.