Hoe voelt een Nobelprijs?

Eerbetoon

In het leven van de voorgangers van Ben Feringa, als Nederlandse winnaars van Nobelprijs, veranderde vaak veel, na de prijs. ‘Ik ben nu een orakel’.

Foto Volker Steger

Voor de Utrechtse deeltjesfysicus Gerard ’t Hooft – Nobelprijs Natuurkunde 1999, samen met Martinus Veltman – is het al jaren geleden dat hij de hoogste wetenschappelijke onderscheiding ontving. Maar de magie is nog altijd niet uitgewerkt, vertelt hij. „Ik heb diverse andere wetenschappelijke prijzen en eredoctoraten gekregen. Dat is dan één dag feest, en de volgende dag is iedereen het weer vergeten. Maar de Nobelprijs beklijft.”

Niet dat 't Hooft op straat herkend wordt, zegt hij („Er zijn wetenschappers zonder Nobelprijs die veel bekender zijn dan ik”) maar wetenschappelijk, vooral internationaal, geniet hij nog altijd aanzien. „In Nederland slijt het wat sneller. Maar vooral in verre landen kijken ze met bewondering naar dat kleine Nederland dat er met regelmaat in slaagt Nobelprijzen in de wacht te slepen. In China en in Arabië word ik nog altijd met open armen ontvangen.”

In het dagelijks leven is er niet veel veranderd. Ook een Nobelprijswinnaar staat in de file, zo blijkt als ’t Hooft een telefonische interviewafspraak moet verzetten. „Er is helaas geen speciale luchtbrug voor Nobellaureaten. Bel over een half uurtje maar terug.”

’t Hooft: „Na de toekenning van een Nobelprijs volgt een heel bijzondere tijd, met veel media-aandacht, en bijzondere uitnodigingen uit het buitenland. Je komt ineens op de gekste plekken. Het eerste en tweede jaar ben je daar flink druk mee. Het hangt natuurlijk van jezelf af in hoeverre je daarin mee gaat. Ik heb gekozen voor de gulden middenweg: ik heb eerst veel gereisd maar na twee jaar bedankte ik steeds vaker, omdat ik ook weer verder wilde met mijn onderzoek.”

Op zijn vrijheid van wetenschappelijk onderzoek heeft de Nobelprijs geen effect gehad, zegt ’t Hooft, „Die vrijheid had ik namelijk al en dat is zo gebleven. Ik ben nu 70 en officieel met pensioen, maar ik heb nog steeds mijn office aan de Universiteit Utrecht en een secretaresse die mij kan ondersteunen. Ik werk dus nog steeds, maar wel in een wat rustiger tempo.”

De Nobelprijs is „zeker een factor in de waardering die ik van de instelling krijg”, zegt 't Hooft. „Ze willen dat ik zo lang mogelijk blijf. Mijn tronie staat op heel veel foldertjes van de universiteit. Maar echt optreden als ambassadeur van de Universiteit Utrecht ligt mij wat minder.”

Uit Brits onderzoek gepubliceerd in het Journal of Health Economics (12 juni 2008) blijkt dat winnaars van de Nobelprijs Natuurkunde of Chemie gemiddeld een à twee jaar langer leven dan wetenschappers die daarvoor ‘slechts’ genomineerd zijn. Of dat een oorzakelijk verband is, is helaas niet te zeggen. Maar uit meer algemeen onderzoek blijkt dat mensen met een hogere sociaal economische status gemiddeld langer leven en gezonder zijn. En statusverhogend is een Nobelprijs zeker.

„Ik ben nu een orakel”, constateerde de Nederlands-Russische natuurkundige Andre Geim (Natuurkunde, 2010) een maand na de bekendmaking van zijn prijs in een interview met deze krant. Behalve tientallen uitnodigingen voor diners en congressen kreeg hij bijvoorbeeld ook het verzoek van de president van Burkina-Faso of hij zich wilde uitspreken tegen vrouwenbesnijdenis.

Het hangt wel van iemands karakter af hoe een Nobelprijs ‘valt’. En de mate van verrassing speelt daarbij ook een belangrijke rol. Een eerdere Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen (Chemie, 1995) vertelde in 1999 in een interview met Radio 5 dat de prijs voor hem totaal onverwacht kwam. Tijdens een vakantie in Spanje vond trof hij op een avond een dik pak faxen aan in zijn hotelkamer. „Dat komt morgen wel”, zei hij tegen zijn vrouw, „laten we nu lekker gaan eten”. Maar zij las toch even de eerste bladzijde en zei toen: „Paul, je hebt de Nobelprijs gewonnen!”. Crutzen trok bleek weg, vertelde hij. „Het was bijna schokkerend. Het gaf me oorspronkelijk niet een enorm geluksgevoel. Daarvoor kwam de mededeling te plotseling.”

De volgende dag is Crutzen ‘gevlucht’: „We zijn een week lang onder de meisjesnaam van mijn vrouw in andere hotels in Andalusië ondergedoken. Dat gaf me de mogelijkheid om een beetje aan de nieuwe situatie te wennen.”

Ook daarna bleef de media-aandacht ongemakkelijk voor de man die het ozongat ontdekte. „Vooral het eerste jaar is tamelijk verschrikkelijk”, vertelde Crutzen. Hij was in Nederland geboren, had in Zweden zijn opleiding gevolgd en was in Duitsland directeur van een Max Planck Instituut, toen de prijs kwam. „Er zaten drie landen achter mij aan.”

„Je kunt die druk dan ook verwerken omdat je nog altijd in hogere sferen verkeert. Maar daarmee kun je niet lang doorgaan”, zei Crutzen, Het heeft uiteindelijk „een negatieve invloed op het werk.” Hij loste het op door in de VS te gaan werken. „Daar lopen meer Nobelprijswinnaars rond, en er is dus meer keuze.”