Interview

‘Het boek zelf interesseert ons geen reet’

Lunchinterview Literair agenten Paul Sebes en Willem Bisseling laten BN’ers in een afvalrace op televisie een thriller schrijven. Kan iedereen schrijver worden dan? „Ab-so-luut niet, maar er valt een hoop te leren.”

Foto Frank Ruiter

Wie in het wild een schrijver of uitgever wil ontmoeten, moet weten waar te lunchen. Literair agenten Paul Sebes (51) en Willem Bisseling (34) vertellen waar u moet zijn in Alweer een bestseller, hun boek met (schrijf)tips voor de amateur-auteur. Amsterdam is het jachtgebied, daar zijn immers de belangrijkste uitgeverijen gevestigd. Ga naar Amsterdam-Zuid, naar de Van Baerlestraat. Kies daar uit Wildschut, Small Talk, Brasserie Keyser en de kans is groot dat u er boekvakkers zult treffen. Of reserveer een tafel bij Brasserie Bark, waar ik Sebes en Bisseling op een maandag rond het middaguur ontmoette. Op afspraak.

Ze komen ‘a deux’, had Paul Sebes van tevoren aangekondigd, ze doen alles met z’n tweeën. Dat klopt. Ze denken, praten, grappen samen. Samen runnen ze ook het eerste (sinds 1998) en grootste literair agentschap van Nederland. Zij zijn de schakel tussen auteur en uitgeverij. Auteursmakelaars, handelaars in literatuur worden ze genoemd. Of jakhalzen, haaien, paria’s als je het aan sommige uitgevers vraagt. Agenten drijven de honoraria voor schrijvers en daarmee de prijs van boeken op, zeggen uitgevers. Noem ons zoals je ons noemen wilt, zegt Paul Sebes, de oprichter. Zal hem een zorg zijn. Over twee weken komen Willem en hij zeven weken lang op televisie. Zeven bekende Nederlanders schrijven onder hun leiding een literaire thriller. Sebes: „Haha, de eerste literaire competitie op tv ever. Eat that.”

Snel even wat bestellen. Sebes en Bisseling kennen de kaart, de een neemt pasta, de ander loempia. Fles water erbij, klaar. Zo, waar hadden we het over? O ja, over De pennen zijn geslepen, hun tv-programma bij Avro-Tros. Sebes: „Het complete team van Wie is de Mol? is erbij betrokken.” Net als in Wie is de Mol? doen bekende Nederlanders mee aan een afvalrace, waarbij er na elke aflevering een kandidaat wordt geëlimineerd. Bisseling: „Het heeft ook iets weg van Heel Holland Bakt.” Ook een wedstrijd, en ook hier bepaalt de kwaliteit van het product wie er doorgaat en wie niet. Sebes: „En het is een beetje Big Brother.” Bisseling: „Dat vind jij, ja.” Sebes: „Nou ja, met z’n zevenen in een villa. Samen eten, camera’s in hun slaapkamers. Je ziet ze ijsberen, tobben achter hun laptop.”

Actrices en een bioloog

Twee actrices, een misdaadjournalist, een kledingontwerper, een kunstenares, een bioloog en een psycholoog doen mee aan het programma. Voor sommigen is schrijven een hobby, een enkeling publiceerde al eens wat. Geen van hen schreef eerder fictie, laat staan een literaire thriller, maar de wens om ooit zoiets te doen, sluimerde bij de meesten al langer. Die schrijfaspiratie delen ze met een miljoen Nederlanders, dat onderzocht TNS Nipo in 2007. Onder die miljoen aspirant-schrijvers zijn er maar 93.000 die ook echt een manuscript opsturen naar een uitgeverij, in de hoop dat die het wil publiceren.

De deelnemers aan het programma krijgen schrijfles, leren researchen en krijgen een schrijfopdracht; beschrijf in 750 woorden een plaats delict, schrijf een levensechte dialoog, kruip in het hoofd van een moordenaar. Nog geen vierentwintig uur later beoordelen Sebes, Bisseling en thrillerschrijver Saskia Noort de schrijfsels.

Alle grote Amerikaanse auteurs hebben een cursus creative writing gevolgd.

Iedereen kan schrijven? Is dat hun boodschap aan de kijkers en de miljoen Nederlandse wannebe schrijvers? „Ab-so-luut niet”, zeggen zij. „Schrijven is een ambacht, een vak.” Tussen een aardig stukje schrijven en een goed boek zit nogal wat ruimte, toch? Zeker, zeggen zij. „Maar er valt een hoop te leren.” Sebes: „Ik begon in 2005 met schrijfcursussen geven. ‘Wie zat daar nou op te wachten’, zei iedereen meteen. Nou, heel veel mensen dus. Alle grote Amerikaanse auteurs hebben een cursus creative writing gevolgd.” Bisseling: „Zelfs Nobelprijswinnaars.” Sebes: „We hebben de kandidaten elke dag twee, tweeëneenhalf uur les gegeven. Perspectiefwisseling, dialoogattributie, auctoriale verteller. We vertellen het ze allemaal, hè. Op nationale tv. Hoe bijzonder is dat?”

Oké, schrijven valt te leren. Ook als je BN’er van beroep bent. Is dat belangrijk trouwens, dat een auteur personality heeft en het goed doet op tv? Sebes: „Welnee. Hoe vaak komen schrijvers überhaupt op tv? Zeg maar nooit.” Bisseling: „En Stieg Larsson is ook gewoon dood hè. Ondertussen verkopen zijn boeken als een dolle.” Zijn ze niet bang dat ze met hun programma hobbyschrijvers zullen aanmoedigen? Dat kan toch nooit hun bedoeling zijn, in hun schrijfwijzer Alweer een bestseller vertellen ze dat ze tegen de duizend manuscripten per jaar ontvangen. Uit die enorme berg selecteren ze hooguit een handvol potentiële boeken, de rest is niet zelden van povere kwaliteit. Hun boek met schrijftips lijkt vooral een ontmoediging: voldoet uw schrijfwerk niet aan deze minimumeisen, stuur het dan a.u.b. niet op. De vraag is eigenlijk: waarom doen ze mee aan dit programma, what’s in it voor hen? „Wat wij eraan hebben?”, herhaalt Sebes en antwoordt meteen. „Literair agenten in Amerika, onze collega’s, begonnen te huilen toen ze hoorden van ons televisieavontuur. Ik ben vereerd, ontroerd zelfs dat een omroep ons vraagt ons beroep op televisie te demonstreren.” Bisseling: „Voor ons is het een geweldige kans om te laten zien dat wat we doen goed en belangrijk is. Het is een erkenning van ons werk als agent.”

En verder? Sebes: „Verder is alle aandacht voor het boekenvak goed.” Bisseling: „Er is weinig aandacht voor literatuur.” Sebes somt op: „Te elitair, geschreven door huiskamergeleerden, gelezen door een klein groepje hoogopgeleiden …” Bisseling: „Maar je kunt literatuur ook hipper brengen, extraverter, minder salonachtig.” Het probleem van het literaire bedrijf is dat het een nichemarkt is, zegt Sebes. „Als wij vierduizend exemplaren van een debuut verkopen, gaat de vlag uit. Heb je dat soort bezoekersaantallen bij een bioscoopfilm, dan word je eruit geschopt. Een oplage van een half miljoen, dat noemen wij een bestseller. Een beetje televisieprogramma trekt zoveel publiek op één avond.” Er is een dichotomie, zegt Bisseling. „Uitgevers proberen een nicheproduct te slijten aan de massa.” Daar doen zij nu toch zelf aan mee? Ja, zegt Bisseling. „Het is het proberen waard, toch?”

Dance, dance, dance

Wie praat over schrijven, heeft het ook over lezen, vinden Sebes en Bisseling. En lezen, dat is voor hen „zoiets als ademen”. Zouden schrijvende BN’ers kijkers aanzetten tot lezen? Sebes: „Bij een modernedansvoorstelling zit hooguit tweehonderd man in de zaal. Talentenshow Dance, dance, dance trekt over de miljoen kijkers. Gaan die kijkers daarna naar zo’n voorstelling? Geen idee.” Bisseling heeft ook nog een vergelijking. Het programma Maestro, waarin bekende Nederlanders een wedstrijd dirigeren doen. „Gaan daardoor meer mensen naar het Concertgebouw? Vast niet. Verkopen wij door ons programma meer boeken? Zou fijn zijn. Maar het gaat om de interesse en aandacht voor het vak. Zoals het winst is als mensen begrijpen dat dirigeren meer is dan wat zwaaien met een stokje.”

Over zwaaien met een stokje gesproken. Willen ze niet zelf eens een roman schrijven, in plaats van altijd maar het podium vegen waarop hun protegees dansen? „O nee”, zegt Sebes meteen. „Ik moet er niet aan denken. Mijn verhaal, mijn fantasie, wie is daar nou in geïnteresseerd?” Bisseling denkt dat hij het talent en het zitvlees ontbeert om zich aan fictie te wagen. En nee, zeggen ze allebei, hun gebrek aan schijfambitie is niet gek. Een voetbaltrainer hoeft geen voetballer te zijn. Een regisseur hoeft niet te kunnen acteren. Choreografen kunnen vaak zelf niet dansen. „En fotografen…” Ze lachen hard: „… die zijn zelf allemaal lelijk”.

Klagende uitgevers

Paul Sebes verruilt zijn stoel voor de bank, weg uit de koude lucht van de airconditioning. Hij trommelt met zijn vingers op tafel, kijkt Willem Bisseling aan. „Even denken. Kunnen we nog iets zeggen waar mensen boos om worden?” Bisseling heeft wel een ideetje. „Misschien zeggen dat veel uitgevers kruideniers zijn?” Sebes slaat meteen aan. „Ach, wat kunnen die klagen. Het regent, dus komen er geen klanten. De zon schijnt, dus de klanten blijven weg.” Zo pessimistisch, vult Bisseling aan. „Zuinige mensen zijn het. Altijd proberen schrijvers zo weinig mogelijk te betalen…” Sebes: „…amateuristische marketing, drukken op slecht papier.” Bisseling: „En dan piepen als auteurs via ons willen overstappen. Dan had je dus beter voor je auteurs moeten zorgen.” Zij bieden auteurs full service, ze zijn meelezer, jurist, accountant, marketingman en beste vriend ineen. „Wij zijn er voor de auteurs, voor hun schrijfproces, hun verhaal. En dat voor maar 15 procent per verkocht boek, zegt Sebes. „1,5 procent, toch?” zegt Bisseling en rekent hardop: „Wij krijgen 15 procent commissie van de 10 procent royalty van de auteur.”

Sebes: „Het uiteindelijke boek interesseert ons geen reet. De productie, het gedoe met drukkerijen, de boekhandels.” Sebes & Bisseling is er voor de goede deals. Voor een auteur de juiste uitgever vinden en de beste voorwaarden bedingen. Bisseling: „Mijn broer zit in de autoverkoop. In feite doet hij hetzelfde werk als ik. Als ik een goede deal kan sluiten, heerlijk. Kan me niet schelen waarvoor, het hoeft echt niet alleen maar literatuur te zijn. Desnoods verkoop ik een kleurboek van de familie Clinton.” Sebes knikt bevestigend. „Bol.com, het Centraal Boekhuis, de boekhandels. Ze liggen vol met boeken die wij aan uitgevers hebben verkocht. Goed idee trouwens, dat kleurboek. Doen we.”