Recensie

Dwaze raad van een maartse haas

K. Michel

Het onderwerp of betoog van deze ontregelende taalmeester mag dan dun zijn, toch ga je dankzij zijn dwaalverzen verbaasd anders kijken. Gesprekken ontsporen en redenaties lopen dood. En dat is prettig.

In gesprek met Rutger Kopland in Mooi, maar dat is het woord niet (1998) vertelde K. Michel hoe hij getroffen werd door een uitspraak van de Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach. ‘Ik speel niet, ik zoek speling,’ schreef die in Een seizoen in het paradijs (1980).

Michel interpreteerde die uitspraak als ‘het zoeken naar bewegingsruimte in de etiquette van de taal, in de codes die voorschrijven hoe het hoort; met als doel om bewegingsruimte te creëren, om even diep adem te kunnen halen.’ Dat blijkt ook achttien jaar later nog de kern van het dichten voor K. Michel (1958). Dus noemde hij zijn verzamelde gedichten Speling zoeken. Ook in zijn tegelijkertijd verschenen nieuwe bundel klinkt die echo en is letterlijk sprake van speling.

Spel en speling liggen vanouds dicht bijeen in de poëzie van Michel. ‘Signaal en ruis’ heet het eerste gedicht in Te voet is het heelal drie dagen ver. Het begint met tweemaal zes regels opsomming van surreële berichten als ‘Dronken man zit vast in brievenbus’ en ‘Dichter vangt haas door achter boom / geluid van wortel na te bootsen’. ‘Voilà’, schrijft Michel dan, ‘een kleine greep uit wat ik gisteren / aan info data trivia in mijn vlindernet vond.’ Dat suggereert een concluderend vervolg, maar dat komt niet. Het gedicht flakkert uit in de dwaze raadgeving van een maartse haas. En dat blijkt een uitstekende intro voor de achtentwintig volgende verzen. De dichter is filosofisch geschoold, maar speelse associatie is hem liever dan lijnrechte logica. Daarbij komt dat hij, zoals hij zich in 1994 al in Boem de nacht omschreef, een gretige ontvanger is van ‘souvenirs van een vergane / samenhang; de suggestie dat om de hoek / het geluk wacht op een botsing’. En als dichter, stelde hij vier jaar later in Mooi, maar dat is het woord niet, kiest hij de vrijheid ‘gedichten te schrijven waarin je de horizon een hand geeft en je wakker wordt in een asbak’.

Ferme uitnodiging

In feite zijn de gedichten van K. Michel sinds zijn debuutbundel Ja! Naakt als de stenen (1989) onveranderlijk dun qua onderwerp en betoog, maar toch steeds weer een ferme uitnodiging tot verbaasd anders kijken. Te voet is het heelal drie dagen ver biedt op dit punt geen eclatante verrassingen. Soms lijkt de dichter zelfs te schmieren. Bijvoorbeeld wanneer hij in ‘De vind variaties’ een aftandse mop citeert: ‘En meneer’ vraagt de ober / ‘Hoe vond u de biefstuk?’ / ’Nou gewoon’ antwoordt de klant / ‘Door het toastje op te tillen’.

Hiertegenover staan subtiele verwoordingen, die poëzie worden zonder dat is uit te leggen waarom. Dit geldt wat mij betreft voor de slotregels van ‘Benedenwinds’: ‘hé, ruik ik daar loof’/ ‘ja, de herfst valt vroeg dit jaar’. In zulke gespreksfragmenten is Michel een ontregelend taalmeester.

Ook het oprekken van een anekdote is hem zeer wel toevertrouwd. Een actuele versie daarvan geeft hij in ‘De lach van Rutte’. Daarin mondt ‘al dat jarenlange glimlachen / grinniken, giechelen, grijnzen / gniffelen, ginnegappen, grapjurken / lachebekken, proesten, schateren, dijenkletsen / dubbelklappend naar adem happen’ van de premier uit in luid schateren. Zo luid ‘dat zijn lach letterlijk van zijn gezicht spat / en op de grond smakt // om daar enkele seconden verdwaasd / beduusd tot zichzelf te komen / ‘wah… wah… wie…’/ om dan versuft maar vrij overeind te krabbelen / en het op een lopen te zetten / […] // weg van hem die verbaasd verbijsterd / half over het katheder hangt zijn gezicht’/ verfomfaaid zijn mond een slappe cheeseburger’. Dan volgen nog vijftien regels over het journaille dat de lach achternagaat.

Het is verleidelijk om Te voet is het heelal drie dagen ver te vergelijken met de anekdotentrommel in Op de rok van het universum van Tonnus Oosterhoff. In die vorig jaar verschenen roman scharen de anekdotes zich samen, terwijl intussen het levensverhaal van een kettingrokende dierenarts wordt verteld. Zo’n prozaïsch bindmiddel ontbreekt uiteraard in de dichtbundel van Michel, maar de gedeelde voorkeur voor trivia als vertelstof is opmerkelijk. En bij beiden is de samenhang tussen die trivia een prettig dwaalpad.

Een aantrekkelijk element in Michels werk is juist het ontbreken van zinvolle plots. Gesprekken ontsporen en redenaties lopen dood. Dat is volstrekt acceptabel, want reëel, als het gaat om een gesprek van twee daklozen bij de supermarkt, maar het territorium van Michels dwaalverzen is onbeperkt. Soms is de plaats van handeling ook bewust onbepaald, zoals in het drieluik ‘Maanloos’. Maar niet altijd is de tekst vrijblijvend. Een enkele keer werkt Michel zijn ‘toevallige’ kennis uit tot een volwaardig prachtvers, zoals ‘Worry’:

wat een jachthond doet

met een prooi

bijtvast de nek en dan schudden

noemden ze

in engeland in de middeleeuwen

to worry

afkomstig van het oude ‘wyrgan’

ging men het eeuwen later

vooral gebruiken om aan te duiden

wat je met getob en innerlijk

handen wringen jezelf aandoet

zo was het spoor afgebogen

en had zich binnenwaarts gekeerd

om problemen problemen

het hoofd te kunnen bieden

the modern way

en ja vrienden – jullie die altijd

druk zijn met schuivende agenda’s

deadlines budgetten kinderkwalen

altijd gehaast slapeloos malend –

ook in ons taalveld was hier

en daar de strekking verschoven

een tak van de betekenis

veranderde via sworga en sorga

in zorgen maken en bezorgd zijn

de andere tak verwant

via het oudfries aan wyrgan veranderde

in het moderne wurgen

niet doen hoor vrienden

Zo luchtig wordt etymologische kennis zelden gepresenteerd. Voor K. Michel is de montere toon vanzelfsprekend. Lezing van zijn poëzie bewijst hoe aanstekelijk die opgewektheid is.