Cultuur

Interview

Interview

Foto François Wieringa

De eeuwige egoïst Sven Kramer komt nu op voor anderen

Schaatsen Alweer een conflict voordat er één schaatsmeter gereden is. Sven Kramer (30) is de voorman van de schaatsers die zich verzetten tegen de bezuinigingen van de bond. “Ik geloof in de aanhouder die wint.”

Harder kan Sven Kramer de noodklok niet luiden, dan met een stellige voorspelling over de toekomst van het Nederlandse schaatsen. „Zoals het er nu voorstaat, gaan wij de komende twee, drie Spelen het succes van Sotsji never nooit meer herhalen”, zegt hij in het restaurant van hotel Chiemgauer Hof in Inzell, waar hij met zijn ploeg op trainingskamp is in aanloop naar het nieuwe seizoen. Waarom? „Sotsji was de uitkomst van jarenlang geld er in pompen, investeren, veel commerciële teams, goede opleiding, goede gewesten. Dat brokkelt nu af. Ze denken dat het uiteindelijk nog een beter rendement gaat opleveren. Maar dat gaat het gewoon niet, in mijn optiek.”

‘Ze’, daarmee bedoelt Kramer schaatsbond KNSB. Al ver voor de eerste officiële wedstrijd, eind oktober in Groningen, staan de partijen weer eens lijnrecht tegenover elkaar. Zij van de bond, die 2,7 miljoen euro moet bezuinigen wegens teruglopende inkomsten. Versus ‘wij’ van schaatsers, commerciële ploegen en de gewesten, die vinden dat ze in de voorgestelde begroting ten onrechte moeten boeten voor het in hun ogen verkeerde beleid van de KNSB. En dus staat Kramer (30) op de barricaden, als machtig boegbeeld van de ‘werkvloer’ tegen de ‘technocraten’ van het bondsbestuur. Natuurlijk, zijn eigen ambities voor de Spelen van 2018 staan voorop. „Drie keer goud.” Nu kan hij zich nog onomwonden uitspreken over de toekomst van zijn sport.

„Ik ben van mening dat er zoveel reserves doorheen gejaagd zijn binnen het bondsbureau”, zegt Kramer. „En voor die kosten moeten anderen nu opdraaien.” Ook de topschaatsers, die moeten toezien dat de ‘premiepot’ voor internationale wedstrijden wordt ingekrompen van 1,1 miljoen naar 770.000 euro in het laatste voorstel van de bond. „Terwijl wij eigenlijk altijd ‘geleverd’ hebben. We hebben 23 olympische plakken binnengehaald. Dat is een groot deel van de propositie waarom sponsors in het schaatsen stappen.” Maar ook die sponsors van de commerciële teams worden nu hoger aangeslagen. „De teams brengen 6 à 7 miljoen euro binnen”, stelt Kramer. En dan moet hij de wereldbekerwedstrijden rijden in een pak van bondssponsor KPN terwijl zijn eigen sponsor Lotto-Jumbo opdraait voor de reiskosten. „Dat slaat helemaal nergens op.”

Midden in zijn voorbereiding op het nieuwe seizoen bezocht Kramer als vertegenwoordiger van de atletenvereniging vorige week zaterdag de Ledenraad in Utrecht. „Als je ergens voor staat, kun je op het moment suprême niet weglopen”, luidt zijn uitleg. De beslissing over de gewraakte begroting werd uitgesteld tot vlak voor de KNSB Cup in Groningen. „Alles wordt nu weer vooruit geschoven, ik denk niet dat dit de sport ten goede komt. Ik zou het graag anders zien, maar ik heb er een hard hoofd in.”

Staken straks in Groningen, zoals hij namens de schaatsers al eerder dreigde? „Onze intentie is om eruit te komen”, zegt hij nu als volleerd vakbondsman. Maar anders? „Voor de teams en de atleten is de urgentie van de wedstrijd in Groningen niet zo groot omdat wij daar toch in ons eigen pak schaatsen. Als de KNSB ons vervolgens niet naar China stuurt (voor de eerste wereldbekerwedstrijden), nou prima, dan blijf ik lekker thuis.”

Kramer als activist voor het algemeen belang van de sporters, het is even wennen. Als weinig anderen is de meervoudig olympisch- en wereldkampioen, al twaalf seizoenen aan de top, bekend om zijn compromisloos egoïsme. Wil hij zelf nog meer geld, zoals critici beweren?

„Dat is het allerlaatste waar het op dit moment voor mij om draait. Ik ben misschien wel de eerste schaatser die dit allemaal kan missen. Ik doe dit in het belang van veel sporters.”

De gouden tijden lijken voorbij

Ook al vreet een rol als boegbeeld kostbare energie, zestien maanden voor de Spelen van Pyeongchang. „Ik weet dat dit sportief gezien niet ideaal is. Vier jaar geleden had ik het misschien niet eens gedaan.” Maar met leeftijd en status komen verplichtingen. „Toen ik 18, 19, 20 jaar was, regelde Erben Wennemars dit ook voor mij. Daar heb ik veel van geleerd. Nu zit ik zelf in die positie.” Naast Wennemars waren er toen voortrekkers als Carl Verheijen of Mark Tuitert, mijmert Kramer. „Een heel rijtje namen, dat heb je nu niet meer.”

De gouden tijden lijken sowieso voorbij in het schaatsen, met afhakende sponsors als Beslist.nl of Stressless. „Daar kampt niet alleen het schaatsen mee”, stelt Kramer vast. „En ik geloof in de aanhouder die wint. Ireen Wüst heeft ook weer een sponsor. Als je ergens voor staat, je hebt een hecht team om je heen en je blijft leveren, dan komt het naar je toe. Maar ik kan aan de andere kant niet ontkennen dat veel olympisch kampioenen er twee jaar lang met de pet naar hebben gegooid. Daar zou ik ook niet in stappen.”

Zoals oud-ploeggenoot Koen Verweij, die een comeback maakt na een jaar afwezigheid? „Koen, ja, die moet gewoon een schop onder z’n kont hebben”, zegt hij lachend. „Dat weet hij zelf ook wel. Ik denk dat hij volgend jaar, dit jaar misschien al, prima zal schaatsen. Hij zal er vast redenen voor hebben. Maar het blijft zonde. De commerciële waarde wordt bepaald door de continuïteit van je prestaties. En die laat bij sommigen te wensen over. Daar kan ik niets anders van maken.”

In het zieltogende allrounden heeft de achtvoudig Europees en wereldkampioen intussen zo weinig concurrentie, dat de internationale schaatsunie ISU de opzet van het EK veranderde. Nog slechts één keer in de twee jaar samen met een nieuw EK sprint, in de andere jaren afgewisseld met een EK afstanden. „Dat is politiek, om het erdoor te krijgen qua stemmen. Daar kan ik druk over maken of ik ga gewoon zorgen dat ik die wedstrijden win. Dan ben ik wel even heel egoïstisch. Dat is voor mij de beste manier om mijn sport te verkopen.”

Niet alle veranderingen zijn verbeteringen, vindt Kramer. Geef hem maar de ouderwetse topsportopleiding in Jong Oranje, „by far” beter dan de „waardeloze” regionale talenten centra (RTC’s) waarin de KNSB nu de beste jeugd onderbrengt. En de nieuwe formule van Icederby, waarbij shorttrackers en langebaners tegen elkaar strijden op een baan van 250 meter? „Ik moet nog zien of het allemaal van de grond komt. Het gaat eerder een gat in de begroting worden dan het gat in de markt. Dat zullen wij dan volgend jaar wel weer dicht moeten lopen.”

Zijn wereld verengt automatisch

Schaatsen is onverminderd populair als televisiesport. Volgens Kramer hoeft de sport zelf niet veel te veranderen. „In atletiek en zwemmen wordt ook niet aan de afstanden getornd. Ik denk dat schaatsen nog steeds fantastisch is. Natuurlijk ben ik daarin niet objectief, iedere sporter zal voor zijn eigen sport opkomen. Maar ik denk eerder dat je de logge en starre organisaties eromheen moet veranderen. Je gaat mij niet vertellen dat je in een wereldstad als Berlijn geen ijsbaan vol kunt krijgen. Dat is gewoon onzin, dan verkoop je het niet goed. Maar als wij dat ook nog zelf moeten gaan doen… Én onder de 6.10 rijden, én de ijsbaan vol krijgen. Dat gaat mij echt niet lukken.”

Nu de start van het voor-olympisch seizoen nadert, verengt zijn wereld automatisch. „Nog veertien maanden tot het olympisch kwalificatietoernooi”, rekent hij feilloos voor. Wat er per se nog moet, na drie olympische campagnes die niet vlekkeloos verliepen? „Uiteindelijk wil ik nog één keer drie keer goud op de Olympische Spelen”, zegt Kramer zonder dralen. „Dat is reeël en zeker geen te hoog gegrepen ambitie. Het is een heel moeilijk verhaal. Maar het is wel het enige dat echt nog moet. Dat is misschien ook wel het enige waarom ik dit nog doe. Niet omdat ik Inzell nou zo fantastisch vind.”

Zo lang mogelijk in die kooi

Natuurlijk, hij is met zijn ploeg in het Zuid-Duitse kuuroord om zich volledig op het schaatsen te richten. Zoals elk jaar. Maar neem nou zo’n wedstrijdje zaterdag op de drie kilometer. „Ik doe mijn cap op, rij zeven rondjes op routine, dan mag ik naar huis en heb ik zondag rustdag. Ik heb hier ook wel eens stuiterend aan de start gestaan in oktober.” Die tijden zijn voorbij. „Ik kan mezelf niet meer vijftien weekenden in een jaar binnenstebuiten keren. Dat is ook de reden waarom ik wel eens een World Cup oversla. Ik ben het beste als ik zolang mogelijk in die kooi zit en dan eruit mag.”

Zijn lichaam is na al die jaren nog goed. Beter dan hij na de mysterieuze bovenbeenblessure in 2010 had kunnen denken. „Toen heb ik getwijfeld of ik ooit weer zou kunnen schaatsen, heb ik wakker gelegen. Des te blijer om te zien hoe het nu gaat.” Zelfs op de tien kilometer werd hij vorig seizoen weer wereldkampioen, na de keiharde nederlaag tegen Jorrit Bergsma in Sotsji. „Daarna heb ik het zwaar gehad. Veel ziek geweest, de conditie liet te wensen over. Maar ik heb het geloof in de tien kilometer nooit opgegeven. Sommige races zullen er vast zo hebben uitgezien dat ik dat wel deed. Dat snap ik en daar baal ik zelf ook van.” Drie keer goud in 2018? „Alleen de tien is ook goed hoor”, grapt hij.

Stoppen of doorgaan is daarna geen uitgemaakte zaak. „Misschien word ik op een dag wakker en zeg: ‘jongens, het is goed geweest’. Of ik ga nog één of twee jaar door. Maar zeker geen drie. Ik kan niet ontkennen dat je daar over nadenkt. Al kan ik mezelf er ook niet op betrappen dat ik er in een training al eens over heb gedacht. Ik ben supergemotiveerd. Ik leef alleen maar voor die vijf en tien kilometer in februari 2018.”

Zal hij het ooit kunnen, leven zonder ‘heilige’ sportieve doelen? „Ik heb daar helemaal geen angst voor of zo. Er komen wel weer andere dingen waarin ik mij ga vastbijten.” Maar geen schaatsbestuur. „Nee, never. Ben je gek. Als atleten mij vragen, prima. Maar al dat andere? Nee, hou op. Zonde van mijn tijd.”