Recensie

Wie baas is over de rivieren, is de baas van het rijk

China en water

Wie de Gele Rivier en de Yangtze niet temt, verliest zijn macht, leert de Chinese geschiedenis. Oplossingen voor de huidige waterproblemen bepalen de toekomst van het land.

De Drieklovendam in Sandouping is twee kilometer breed en 185 meter hoog. Foto Reuters

In 1997 viel de Gele Rivier opeens droog. Bijna een jaar lang lukte het de Moederrivier van China niet om de 600 kilometer verder weg gelegen baai van Bohai te bereiken waar zij eeuwenlang in was uitgemond. Dit kwam door de uitblijvende regenval als gevolg van klimaatverandering en een sterk toegenomen irrigatie stroomopwaarts.

Nu is water voor elke maatschappij een essentieel element, maar voor China had dit droogvallen een betekenis die daar ver boven uitsteeg. Want, zo betoogt wetenschapsjournalist Philip Ball in The Water Kingdom, in China is water een constante, alom aanwezige en doorslaggevende factor in de geschiedenis, de politiek, de economie, de filosofie en de kunst: het heeft de ontwikkeling van de Chinese beschaving bepaald.

En als het over water gaat in China dan gaat het onherroepelijk over de twee grote rivieren die het land van west naar oost doorkruisen, de Gele Rivier in het noorden, en de Yangtze of Lange Rivier in het zuiden. Die laatste is bijvoorbeeld de grens tussen de rijstcultuur van het zuiden en de tarwecultuur in het noorden. Van oudsher ontleenden keizers en hun ambtelijke apparaat hun macht aan de effectiviteit waarmee ze deze twee rivieren wisten te temmen en verloren deze weer zodra een overstroming hele steden wegvaagde.

Oorlogsverklaring aan de natuur

Van de mythische keizer Da Yü (zo’n 2000 v. Chr.) tot aan Mao Zedong hebben opeenvolgende heersers gestreden met het water. Niet voor niets liet Mao graag zien dat hij als Grote Leider het water de baas was – de keren dat hij de Yangtze overzwom werden legendarisch –, maar zijn ‘oorlogsverklaring aan de natuur’ om met behulp van tienduizenden dammen en dijkjes de Gele Rivier te temmen en zo het socialisme te grondvesten, liep op een fiasco uit. De vaak met de hand opgetrokken waterwerken stortten al snel in groten getale in, culminerend in 1975 in de doorbraak van de Banqiao dam en honderdduizenden mensen verdronken.

Ook de leiders van het moderne China kennen hun geschiedenis en weten hoe ze hun legitimiteit moeten uitdrukken. Na tientallen jaren van vruchteloos discussiëren besloten zij in 1989, vlak ná de slachting op het Plein van de Hemelse Vrede, de Drieklovendam te bouwen, een enorme stuwdam in de Yangtze, die veel schone elektriciteit opwekt, maar die ook ruim een miljoen Chinezen dwong hun huizen te verlaten, omdat hun dorpen door het water van het stuwmeer zouden worden verzwolgen, en die ook verstrekkende ecologische veranderingen had.

Yangtze-delta

Het verhaal van de Drieklovendam illustreert het sleutelprobleem waar China altijd al mee heeft geworsteld: de schaal waarop alles zich afspeelt. Het land is enorm, het klimaat extreem, de bevolking talrijk en haar noden groot. Dat wordt eens te meer duidelijk in het laatste hoofdstuk waar Ball de huidige waterproblematiek van China uiteenzet. Kort gezegd komt het erop neer dat er te weinig water is en dat is dan vaak zó vervuild dat het nergens meer voor te gebruiken valt. Allebei zijn het de onherroepelijke gevolgen van bevolkingsgroei, verstedelijking en intensivering van industrie en landbouw. Grootse plannen om miljarden tonnen water via een kanaal uit de Yangtze-delta naar het noorden te verplaatsen zijn tot nu toe – ondanks investeringen van zo’n 80 miljard dollar – nog niet verwezenlijkt.

Maar ook waar rivieren nog wél gewoon stromen zijn problemen: in 2005 werd de stad Harbin afgesloten van drinkwater omdat stroomopwaarts bij een explosie in een chemische fabriek tonnen giftig en kankerverwekkend materiaal in het water terecht waren gekomen. Dit soort ongelukken is aan de orde van de dag. En hoewel de regering steeds strengere wetten afkondigt, worden die op stedelijk of provinciaal niveau vaak genegeerd omdat alles voor economische groei moet wijken. Maar Xi Jingping en zijn collega’s zijn voor niets zo bang als sociale onrust en destabilisatie van de maatschappij, waarmee ze net als hun keizerlijke voorgangers opnieuw de taak hebben gekregen een waterprobleem op te lossen. Hoe ze dat aanpakken, zal volgens Ball symbool staan voor de manier waarop China zich in bredere zin gaat ontwikkelen: de omgang met water toont de omgang met mensen.

Buitenstaander

Waar de rol van het water bij het verdelen van de macht en in de politiek (terecht) een groot deel van het boek beslaat, laat Ball in afzonderlijke hoofdstukken zien hoe water ook andere aspecten van het leven in China doordrenkt. Nu valt daar hier en daar wel wat op af te dingen. Natuurlijk speelt water in allerlei vormen een belangrijke rol in vooral de traditionele landschapskunst, maar het gaat wat ver te beweren dat het afbeelden van mensen in water in moderne kunst een sterk politieke lading heeft. En natuurlijk zijn er kunstenaars die bijvoorbeeld de Drieklovendam in hun werk gebruiken om een politiek statement te maken, maar veel meer anderen doen dat zonder enige watersymboliek te gebruiken.

Daarmee is niet gezegd dat wat Ball als betrekkelijke ‘buitenstaander’ te berde brengt over Chinese kunst en filosofie, of de grote Chinese ontdekkingsreizen van admiraal Zheng He in de vijftiende eeuw, niet interessant of behartenswaardig zou zijn. Ball heeft met water een prachtige kapstok gevonden om een fascinerende beschaving in een nieuw en opvallend licht te zien.