Opinie

Joris Luyendijk: ‘Schaf de Nobelprijs voor Economie af’

Opinie De indruk bestaat dat economie exacte wetenschap is. Dat leidt tot fatale zelfoverschatting bij economen, schrijft Joris Luyendijk. „Laten we de Nobelprijs voor Economie opengooien voor alle sociale wetenschappen.”

Hoofdkwartier ECB in Frankfurt. Foto Michael Probst / AP

Acht jaar terug werd vrijwel iedere mainstream econoom volkomen overvallen door de financiële crash en de „grootste paniek sinds de jaren dertig”. Maar maandag is het gewoon business as usual wanneer de Sveriges Riksbank de winnaar bekendmaakt van de ‘Prijs in Economische Wetenschappen ter Herinnering aan Alfred Nobel’.

Het probleem is niet zozeer een Nobelprijs voor economie. Het probleem is dat er geen equivalente prijzen zijn in psychologie, sociologie of antropologie. Zo ontstaat de indruk dat economie geen sociale wetenschap is maar een exacte, zoals natuur- of scheikunde. Dit leidt tot fatale zelfoverschatting bij economen en erger nog: de buitenwereld gaat hierin mee.

Een Nobelprijs voor Economie impliceert dat de menselijke wereld net zo valt te beschrijven, begrijpen en modelleren als de fysieke. Dit is een levensgevaarlijk misverstand omdat het precies de wegkijkcultuur in de hand werkt die leidde tot de financiële crisis van 2008. Waarom zouden bankiers nog vragen of een nieuw, lucratief, complex financieel instrument veilig is wanneer ‘de modellen’ zeggen dat dit zo is? Waarom toezichthouders echte macht geven als modellen hun werk kunnen doen?

Modellen, ten koste van ethiek

Veel economen lijken hun vakgebied te zien als stap voor stap groeiende, objectieve kennis. Onderzoek en economie-onderwijs zijn steeds wiskundiger, met een almaar grotere nadruk op statistische analyse en modellenbouw, ten koste van ethiek en eigen observatie. Zoals de geniale econoom Andrew Haldane van de Britse centrale bank deze week tegen de Financial Times zei: „Economie is een methodologische monocultuur geworden.”

De gevolgen raken ons allen. Luister naar Alan Greenspan, voormalig president van de Amerikaanse centrale bank en groot voorstander van deregulering en modellen. Na de crash moest hij zich tegen een parlementaire onderzoekscommissie verantwoorden: „Ik dacht ten onrechte dat het eigenbelang van banken hen ertoe zou brengen hun aandeelhouders en aandelenkapitaal te beschermen.”

Anders gezegd, de man die jaren voor economen en financieel journalisten gold als ‘de maestro’ had niet bedacht dat bankiers hun eigen bank de grond in konden draaien. Had de maestro in plaats van economie ook financiële antropologie bestudeerd, dan had hij beter geweten. In het kader van de deregulering hebben banken op Wall Street en in de Londense City de ontslagbescherming afgeschaft. Het gevolg is een zero loyalty-mentaliteit die samen te vatten is als: „Als je binnen vijf minuten ontslagen kunt worden, krijg je een horizon van vijf minuten.” En draai je zonder wroeging je bank de grond in, want je beschouwt het niet als ‘jouw’ bank.

Dit was nieuw voor Greenspan, maar niet voor antropoloog Karen Ho die jaren veldwerk deed op Wall Street en wier boek Liquidated (nomen est omen) het gebrek aan ontslagbescherming centraal zet. Hetzelfde is het geval bij Codes of Finance van socioloog Vincent Lépinay over een Franse bank.

BBP-berekening is ideologisch

Misschien nog erger dan de blikvernauwing onder economen is de impact van hun technocratisch wereldbeeld op de publieke opinie. Diep-politieke vragen hoe we de samenleving moeten inrichten worden gereduceerd tot technische kwesties die je het best kunt overlaten aan experts – economen. Neem een cruciaal concept als bruto binnenlands product (bbp). Zoals de dissidente econoom Ha-Joon Chang aangeeft in 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism zijn keuzes wat wel en niet wordt meegerekend bij het bbp (bijvoorbeeld werk van huisvrouwen) zwaar ideologisch. Hetzelfde geldt voor de berekening van inflatie en de beslissing om de explosie van huizen- en aandelenprijzen nauwelijks mee te wegen.

Bruto binnenlands product, inflatie en ook groeicijfers zijn geen objectieve metingen als de temperatuur buiten. Het zijn politiek geladen constructies, want veel economie is politiek vermomd als technocratie. Pas als dit wordt onderkend, ontstaat de ruimte voor politiek debat.

Bedenk hoe de Nobelprijs voor Literatuur jaarlijks een schrijver of dichter een mondiaal podium geeft, en hoe die voor de vrede recent het recht op onderwijs voor kinderen op de agenda zette. Recente Nobelprijzen voor Economie gingen intussen naar „contributions to methods of analysing economic time series with time-varying volatility” in 2003 of vorig jaar „de analyse van consumptie, armoede en bijstand”. In 2002 won inderdaad psycholoog Daniel Kahneman, maar wel voor zijn bijdrage aan de economie – zodat uiteindelijk toch weer deze discipline centraal stond.

Laten we de Nobelprijs voor Economie opengooien voor alle sociale wetenschappen. Dan kan de discussie worden gevoed met belangrijke inzichten van al deze disciplines – zonder ooit uit het oog te verliezen dat kennis over mensen wezenlijk anders is dan kennis over de fysieke wereld. Voor wijlen socioloog Emil Durkheim of antropoloog Claude Levi-Strauss is het te laat, maar kandidaten zijn er te over: socioloog Zygmunt Bauman over de ‘liquide moderniteit’ van post-utopisch kapitalisme. Historicus Thomas Piketty over ongelijkheid of Richard Sennett voor zijn inzichten in de ‘corrosion of character’ in de post-verzorgingsstaat.

Zullen economen hun speeltje vrijwillig willen delen? Hun eigen aannames over menselijk egoïsme suggereren van niet.