Opinie

Rotterdams is dood, leve het straatdialect

In een grote stad ligt het dialect voortdurend op sterven, schrijft Marc van Oostendorp.

Het Rotterdams is gestorven. Dat schokkende nieuws meldde Sylvain Ephimenco zaterdag 1 oktober, tussen neus en lippen door, in de column in Trouw waarin hij zijn vertrek uit de stad aankondigde. Ook het Nederlands wordt er volgens hem bedreigd, vervangen als het overal wordt door „de keelklanken van het Arabisch, het sissende Turks of een ondoorgrondelijk straatdialect”.

Het is misschien wel hét kenmerk van een grote stad: dat het dialect er voortdurend op sterven ligt. Telkens trekken er weer nieuwelingen naar de stad, die nét iets anders praten. En als de vorige generatie sterft, is de taal van de stad weer een beetje veranderd. Dat voelt treurig voor de achterblijvers – dialecten zijn een onuitputtelijke bron van nostalgie (‘„Ach, hoe opoe Herfst vroeger Wat zeggie?” zei’).

Het Rotterdams is wat dit betreft misschien wel het beste voorbeeld van een grotestadstaal in Nederland, omdat de vreemde talen vroeger niet alleen binnenkwamen met de mensen die zich hier vestigden, maar ook via de haven. Uitdrukkingen als afnokken (‘to knock off’) en halve zool (‘asshole’) zijn op die manier via contacten met Engelse en Amerikaanse zeelui in de taal doorgedrongen.

Wat ook gebeurt als er veel nieuwkomers komen: de taal versimpelt. Alle vormen van het werkwoord worden bijvoorbeeld hetzelfde: ik heb, jij heb, hij heb, net als de vormen van het voornaamwoord: dat is maajn boek, dat boek is fan maajn. Zulke dingen gebeuren in steden over de hele wereld, dus ook in Rotterdam.

Maar gaat het de laatste decennia niet sneller dan in het verleden? Wie weet. Taalverandering is lastig te meten, maar helemaal onaannemelijk is het niet dat migratie uit andere landen meer effect heeft op de taal dan migratie uit naburige streken als Zeeland en Noord-Brabant. En toch druppelden vroeger ook al woorden uit verre talen binnen: tof (‘goed’) en gers (‘heel goed’) die via het Jiddisch uit het Hebreeuws kwamen.

Ook weten we uit wetenschappelijk onderzoek dat de dialecten van Amerikaanse grote steden ondanks alle migratie daar nog steeds uit elkaar groeien en dus eigenlijk alleen maar herkenbaarder worden.

Zolang mensen het Nederlands dus nog blijven gebruiken als gemeenschappelijke taal – en dat doen ze, in ieder geval over etnische grenzen heen – en zolang ze willen laten horen dat ze trots zijn op hun stad, zullen ze een Rotterdams Nederlands blijven praten. Dat kun je dan een ‘ondoorgrondelijk straatdialect’ noemen. Maar ook wat dat betreft is er niets veranderd. Het dialect is altijd ondoorgrondelijk voor buitenstaanders. En altijd een taal van de straat.

Prof. dr. Marc van Oostendorp is taalkundige en onderzoeker aan het MeertensInstituut.