Publieke vrouw

Ik woon vlak bij een park en daarom kon ik deze zomer het lijden van het groen, van de struiken, de waterkant soms niet aanzien. Het park heeft elke zomer meer te lijden, is mijn indruk, iedere generatie trekt er meer op uit en dan schijnt alles wat groen is in de publieke ruimte het te moeten ontgelden.

Het stadspark in mijn buurt is lang geen Vondelpark, maar toch, op warme avonden is het net Woodstock, overal muziek en barbecues en blauwe walmen en opgewonden, vaak jonge mensen. Ze eigenen zich stukjes van het park toe of het niets is, ze maken er hun privédomein van. Waarom doen die mensen dat? Wie geeft hun het recht?

Soms stel ik mij het park voor als een vrouw — dan wordt zij gebruikt als de eerste de beste hoer, terwijl zij van oorsprong een nette dame is. Een publieke vrouw misschien, maar wel een beschaafde. Toch doet iedereen met haar wat ie wil, ze verbranden haar gras om het vlees te garen, ze verstoppen haar poriën met vuil, met botjes en plastic en blikjes.

Tot laat in de avond trekken de scooters geulen door haar tere huid. De berijders neuken in haar struiken en laten alles liggen.

Iedere ochtend na alweer een half doorwaakte nacht laat de vrouw zich opfrissen door mannen met prikkers. Ze reinigen haar sloten en ze maken haar op voor de nieuwe dag, ze epileren het riet, ze borstelen haar takken en hoezeer de mannen zich ook uitsloven: het toenemende misbruik mat haar af.

Met de winter in aantocht ligt ze er verslagen bij, ze heeft alles gegeven. Onwaarschijnlijk veel zoog ze op, kinderkots, verspilde wijn, urine, glasscherven, ze zit er compleet vol mee en nu moet ze bijkomen. Nu alsjeblieft geen gezinnen meer die hun verjaarspartijtjes komen vieren, geen campingsets meer die worden uitgeklapt, geen tenten met haringen die haar gras vernielen. De ouders van die kinderen — zelfbeeld: eigentijds & vooruitstrevend, kijk ons eens van het leven genieten — beseffen niet hoe asociaal ze zijn. Ze vinden zichzelf oké, dat is het erge. Hun kinderen zullen het misbruik straks normaal gaan vinden. Bunga bunga in het stadspark, moet kunnen.

De volgende ochtend zie ik het naargeestige resultaat van al dat leuke en vrijzinnige. Dan hangen de ballonnen als rimpelige oude vruchten aan de bomen. Het kan niemand wat schelen.

Maar gelukkig, de serieverkrachting is haast voorbij. De temperatuur daalt, de eerste bladeren bedekken haar vacht als een plaid. Maanden zullen nodig zijn om haar wonden, haar geschonden vacht te laten genezen. De sporen van woedende brommers zullen verdwijnen. Het volk dat haar in de kou nog gebruikt, hondenuitlaters, wandelaars, joggers, kan ze wel hebben.

Het moest maar een strenge winter worden. Laat het flink gaan sneeuwen, dan haalt ze langzaam en diep adem onder een dikke witte deken. Duizenden vlokjes stoppen haar toe en fluisteren: lief parkje, ga maar lekker slapen.

Auke Kok is schrijver en journalist.