Opinie

Mijn eerste winter in Brabant was ik bang voor de buurt

Opinie Naz Taha verlangde als kind terug naar het azc, omdat haar buurt ‘vuile Turk’ riep en maar niet ophield met treiteren.

naz_taha

Naz Taha is freelance journalistFoto NRC

Toen ik als zesjarige in het Brabantse Berghem kwam wonen, waren het aantal migranten op een hand te tellen. Ik was zeven en vond het spannend om voor het eerst naar een ‘echte’ school te gaan, met alleen Nederlandse kinderen. Daarvoor hadden mijn broer en ik les gehad op een taalschool voor vluchtelingen. Het waren nieuwsgierige kinderen, mijn Brabantse klasgenootjes. „Eten jullie thuis hondenvlees?”, vroeg er een in de pauze. „Komt jouw badpak ook daarvandaan”, vroeg een ander me tijdens zwemles. Met ‘daar’ refereerde ze aan mijn geboorteplaats Slemani in Koerdistan. Niet dat ze begrepen waar dat Verweggistan van ons nu precies lag. Meestal waren we voor onze schoolgenoten ‘Turken’.

Ik vond de vragen die ik kreeg niet vervelend, maar ik wilde dolgraag ‘normaal’ gevonden worden. Ik wilde erbij horen, maar dat leek onmogelijk vanwege mijn afkomst.

Al in onze eerste weken in Berghem, maakten de nieuwsgierige vragen plaats voor pesterijen om onze afkomst. ‘Vuile Turk, ga terug naar je eigen land’ was een populaire kreet. Kinderen uit groep 7 en 8 knepen hun neus dicht als mijn broer en ik voorbijliepen, want we waren buitenlanders dus moesten we wel stinken.

Het staat me bij dat we als nieuwkomers dagelijks door een groep kinderen tot aan huis werden gevolgd. Er werd van alles geroepen en gegooid. Er waren ook kinderen die niet met mijn broer en ik mochten spelen.

De euforie die ik als achtjarige voelde toen de eerste sneeuw van het jaar viel, maakte plaats voor angst. Sneeuw betekende voor de buurtkinderen een nieuwe manier om ons te treiteren. Met tientallen bekogelden ze die eerste winter, rond Kerst, onze ramen. Het waren kinderen, maar hun gedrag leek voort te komen uit een haat jegens onbekenden. En hoewel we in Berghem een echt huis bewoonden, verlangde ik die winter terug naar het asielzoekerscentrum. Waar we een kleine kamer deelden met z’n drieën, maar waar iedereen ‘anders’ was en we in ieder geval werden geaccepteerd.

Een beetje wrang

Toen mijn moeder in tranen bij de buurvrouw aanklopte en om hulp vroeg, bood zij aan om met mijn broer aan te kloppen bij de ouders. Sommige ouders geneerden zich voor het gedrag van hun kind en boden stamelend excuses aan. Anderen reageerden onverschillig. ‘Het zijn kinderen. Die doen dit soort dingen nu eenmaal’, is ons vaak verteld. Zelfs ons schoolhoofd haalde zijn schouders op toen mijn moeder een keer radeloos in zijn kantoor in gebrekkig Nederlands probeerde duidelijk te maken wat de pesterijen met ons deden. ‘Het zal vast anders bedoeld zijn’, was zijn reactie.

Ik vind het wrang dat in actuele kwesties met jonge allochtonen, deze kinderen als ‘tuig’ en ‘relschoppers’ worden bestempeld. Zoals de Zaanse jongeren, terwijl het asociale gedrag van de Nederlandse kinderen uit mijn vroegere woonplaats ondeugend vertier van onschuldige kinderen was.

Diezelfde hypocrisie zie ik ook als het gaat om ontgroeningen van studentenverenigingen. Er wordt niet gesproken over geweld door tuig, maar over ‘ontgroening’, oftewel, een Hollandse traditie.

Ik vond de kinderen in mijn dorp destijds meedogenloos, maar nog erger vond ik het dat volwassenen hun gedrag tolereerden. Dat pestgedrag veel voorkomt bij kinderen, is vanzelfsprekend geen reden om er niets aan te doen. Door het pesten leerde ik met tegenslag om te gaan en ben ik een veerkrachtiger mens geworden, maar nog steeds ligt er een triest laagje over mijn herinneringen aan mijn jeugd in Berghem. Voor mijn moeder is de situatie in het Brabantse dorp overigens sterk verbeterd. Misschien dat we in die jaren hebben laten zien dat allochtonen ook aardig kunnen zijn. Of misschien hielp het dat mijn moeder vrijwilliger werd in het bejaardenhuis.

In de jaren die volgden hebben we in ieder geval ook vriendelijke, warme mensen ontmoet en vriendschappen voor het leven gesloten. Toch denk ik dat we ons bewust moeten zijn van de hypocrisie in Nederland. En zolang men bang is voor onbekenden, zal de haat voor allochtonen blijven oplaaien.