Kastanjes

CULRoosmalen 1

In het park zag ik een man gebogen op het gras staan, in zijn hand een tas van Albert Heijn. „Ik ben kastanjes aan het rapen”, zei hij maar eerlijk. „Ze zijn heerlijk in de puree.”Ik dacht aan vroeger. Op het schoolplein van de Fredericusschool schoten we de ‘tamme tukkels’ met tak en al met een voetbal uit de boom. Die namen we dan echt niet mee naar huis om te poffen. Nee, we gooiden de stekelige bollen waarin ze zaten kapot tegen het muurtje.

„Wist je dat ze goed zijn voor je ontlasting?”, vroeg de man.

Hij was opgegroeid in Brabant en vertelde dat er in de Efteling zoveel kastanjebomen staan dat er in herfst dagelijks een groepje mannen, hij dacht dat het Turken of Turkmenen waren, naartoe kwam om daar maar te kunnen rapen.

„Ze nemen de entree voor lief want ze gaan met zulke zakken vol kastanjes naar huis.”

In mijn hoofd groeide een verhaal, een ouderwetse reportage.

Ik zag zwijgende mannen met snorren die de hele dag in de Efteling stonden te rapen. Misschien dat sommigen een kind meenamen dat dan af en toe in een attractie mocht. ’s Avonds werd dan de oogst van de dag in de woning over de vloer uitgestrooid, waarna de vrouwen de imperfecte exemplaren eruit pikten. Ik stelde me zo voor dat de helft van de oogst voor veel geld werd verkocht aan restaurants en groenteboeren en dat de andere helft werd gebruikt voor eigen consumptie. Kruis in de schil kerven, in zilverfolie wikkelen en in smeulend vuur leggen, had ik ergens gelezen.

Sommige verhalen kon je maar beter niet kapot checken. Ik deed het, geheel tegen mijn natuur in, toch.

„Waar staan hier de kastanjebomen?”, vroeg ik een knaap in pretparkuniform.

Hij dacht ‘ergens bij de Pagode’.

De Pagode was een soort hijskraan van waaruit je over het park kon kijken, kastanjebomen zag ik er niet. De mensen daar zeiden dat bomen natuurlijk in het bos stonden en dat ik maar het beste in het sprookjesbos kon gaan kijken. Daar en achter het spookhuis stonden inderdaad kastanjebomen, maar ik vond er geen Turkse of Turkmeense mannen met jutezakken.

Ik zag wel een blond jongetje dat met een steen kastanjes kapot sloeg op het asfalt.

„Je kunt ze eten hoor”, riep ik, “je krijgt er goede ontlasting van.”

Hij keek verschrikt op en rende hard weg.

Voor een man op reportage kon de Efteling snel veranderen in vijandig gebied.