Recensie

In de hitte zweeft moeder als minteken

Olga Savicevic

In haar roman over Kroatië van na de Joegoslavië-oorlog blinkt deze schrijfster uit in zwart-komische beschrijvingen. De taal is die van de popcultuur.

Foto Andrija Zelmanovic

Dada, de protagonist van Olja Savicevic’ Vaarwel, cowboy, heeft een genadeloos oog voor de rafelranden van het bestaan. Niet gek, als je Split, de Kroatische kustplaats waar ze is opgegroeid, beschreven ziet: ‘in wezen een enorme vuilnisbelt’, waar een verkeersongeluk als natuurlijke doodsoorzaak geldt. In de wijk waar Dada vanuit Zagreb naar terugkeert, worden de achtergebleven meisjes surfbabes, motorsletjes of – in het gunstigste geval – echtgenotes.

Reden van haar terugkeer is het opduiken van buurtgenoot Karlo Šain (‘Herr Professor’), een excentrieke dierenarts die ‘de laatste jaren steeds meer op een drenkeling (is) gaan lijken.’ Dada vermoedt dat hij meer weet van de zelfmoord van haar 18-jarige broer Danijel, enkele jaren eerder, en gaat op onderzoek uit.

Die wonderlijke beschrijving van een vervallen kerel (‘en zijn snor doet denken aan de baarddraden van een meerval’) is geen uitzondering. Savicevic (1974) blinkt uit in zwart-komische personage-beschrijvingen, die ervoor zorgen dat de roman ondanks de doffe ellende van het naoorlogse Split een aangename lichtheid behoudt. De typeringen van Dada’s pillenverslaafde moeder zijn om je vingers bij af te likken – een weduwe, nu ook beroofd van haar zoon, die voornamelijk op de bank ligt te zappen, maar ook welbewust ‘de waardigheid van een toekomstige dode’ kan aannemen. Een vrouw die altijd op het verkeerde moment haar Hollywood-glimlach tevoorschijn tovert, waardoor ze eruitziet als een ‘stonede smiley’. Een vrouw die, als ze over de hete straat loopt, vanuit de verte in de trillende lucht ineens lijkt op een minteken. Prachtig.

Houten insect

Maar let ook op Dada’s overgrootmoeder, die voor haar dood als een soort ‘houten insect’ in bed lag maar wegens haar verleden ‘de Grote Onverzadigbare’ is gedoopt. Verbeeld je de schietgrage Irokeze Marija en de pretty boy Angelo, die te pas en te onpas het stof uit zijn mondharmonica blaast. Om uit te zagen. Het zouden personages kunnen zijn uit een film. Een western, want de omgeving wordt vanwege de lage kosten gebruikt als filmlocatie voor het genre. De jeugd speelde in Dada’s tijd dan ook geen ‘Balkanoorlogje’ maar cowboytje en Indiaantje: de Kroaten tegen de Irokezen. Hun taal en daarmee die van de volwassen Dada, verwijst vaak naar de popcultuur; cowboys, Super Mario, The Girl from Ipanema. Ook nu Dada is teruggekeerd wordt er een western opgenomen, met de verlopen acteur Ned Montgomery (in zijn betere dagen Danijels idool ) als stralend doch bezopen middelpunt.

En die oorlog dan? Ja, die is er geweest, en wordt – knap! – subtiel maar nadrukkelijk benoemd. In Dada’s wijk, waar niet gevochten werd, is hij vooral merkbaar aan verdwenen jongens en mannen, weduwen, oude leuzen op de muren en het feit dat de oorlogsdreiging een sfeer schiep ‘waarin je etnische achtergrond er ineens voor iedereen toe deed.’ Aan dichtgegroeide beekjes ook, waar kinderen soms botten vinden – ‘de overblijfselen van een aantal oorlogen die hier […] min of meer terloops hebben gewoed en niets dan verwoesting, ellende, vuiligheid en hysterie achterlieten.’ Terloops dus, maar een hoofdrol krijgen de oorlogen niet in Vaarwel, cowboy. Hoogstens wordt er door de ruit van een smerig busje een blik geworpen op de nieuwe flats voor oorlogsinvaliden.

De hoofdrol is voor een B-acteur, maar vooral voor Dada, die van heden naar verleden springt in haar vertellen, van haar vroege jeugd tot recente liefdesgeschiedenissen, ze spoelt door naar wat ze straks zal zeggen, pauzeert op het moment dat haar moeder als een minteken boven de straat zweeft. Haar taal is vlug en vol van geslaagde, soms minder geslaagde metaforen (de ‘diepe muil’ van een kroeg kennen we nu wel, en het beeld van een ruziënde broer en zus als ‘een cactus met een tere bloem’ is een beetje dweperig).

In latere delen van de roman, waarin een alwetende verteller aan het woord is, vloeien de tijden iets minder door elkaar heen, maar is het nog steeds opletten – nu zijn het de personages, die (soms letterlijk) over elkaar heen buitelen. En steeds lijkt de roman de vergeefsheid der dingen te benadrukken. Het onontkoombare van verval.

‘Op het punt van gelijktijdigheid heb ik iets heel belangrijks geleerd: dat de herinnering het heden van alle onthouden gebeurtenissen is. De videoband wordt vooruit- en teruggespoeld, fw-stop-rew-rec-play-stop, en stopt op belangrijke punten […]’, laat Savicevic Dada mijmeren, en geeft daarmee een belangrijk leesadvies met betrekking tot de roman: lezen-terugbladeren-lezen, met, dat kan maar beter gezegd worden, zo nu en dan een welverdiende adempauze.