Recensie

Dit is de wereld, overal kan een bom ontploffen – Woltz blijft Griffelwaardig

‘Wat je ook doet, wees altijd jezelf’ – dit is ontegenzeggelijk de meest waardeloze tip op al die al even waardeloze hoe-overleef-ik-de-brugklas-websites. Althans, dat vindt Parker, een van de twee hoofdpersonen uit Anna Woltz’ nieuwe kinderboek Alaska, uit wier perspectief het verhaal wordt verteld. Want wat is dat dan, ‘jezelf zijn’? ‘Zeggen ze dat ook tegen pestkoppen en leugenaars en dierenbeulen? […] Misschien ben jij toevallig wel een reusachtige rotzak. Of een lafaard. En dan kun je beter iemand anders zijn.’

Parkers introductie zet de toon voor de rest van Woltz’ eigentijdse avontuur, dat draait om onze onophoudelijke zoektocht naar identiteit en de strijd tussen schijn en wezen in een wereld waarin tegenwoordig ‘iedereen bang’ en ‘iedereen gek is.’

Ook is meteen duidelijk dat hier een karakteristiek Woltz-meisje spreekt. Zoals Emilia uit het met de Nynke van Hichtumprijs bekroonde Honderd uur nacht (2014) en Fitz uit het dinsdagavond met een Gouden Griffel bekroonde Gips (2015), toont ze zich een tegendraadse, licht getroebleerde ziel die op cynische toon vertelt hoe onbetrouwbaar de wereld is. En dit keer moet je niet alleen voor volwassenen oppassen, maar ook voor leeftijdgenoten. Vooral voor Sven, merkt Parker, Woltz’ andere protagonist, een epilepsie-patiënt die net zo eigengereid maar onzeker is als zijzelf en haar op hun allereerste middelbare schooldag vernedert.

Motor van het vernuftige plot dat – zoals ook Woltz’ doeltreffende beeldspraak – onmerkbaar in dienst van de thematiek staat, is een hond. Ooit was die van Parker, maar door haar allergische broertje moest Alaska vertrekken, een ontroostbare Parker achterlatend.

Net als Parker gewend raakt aan ‘het hondvormige gat’ bij haar thuis, ontdekt ze dat Alaska tegenwoordig Svens hulphond is. Ze besluit haar te ontvoeren en verrast Sven met een nachtelijk bezoek – bivakmuts over het hoofd, net als de dieven waar ze zo bang voor is sinds zij en haar ouders hebben ondervonden dat ‘echte misdadigers zich niet aan Kijkwijzers’ houden.

Dat levert heerlijke filmische nachtscènes op waarin Woltz de kinderen subtiel laat balanceren tussen spel en werkelijkheid. Door hun dialogen over anders zijn, leven met angst en onvoorwaardelijke hondenliefde, komen ze uiteindelijk griezelig dicht bij elkaar en zichzelf. Daarbij houdt Woltz de toon luchtig. Zo zegt Sven, als hij merkt dat hij in het donker meer durft te zeggen dan bij daglicht, dat zijn psycholoog voortaan ‘beter een bivakmuts over zijn kop kan trekken.’

Toch is Alaska iets minder jolig, en daardoor evenwichtiger, dan Woltz’ eerdere werk. In dit wederom Griffelwaardige boek laat ze de onontkoombare werkelijkheid bewust binnensluipen. ‘Dit is de wereld’, schrijft ze, ‘elk moment kan ergens een bom ontploffen’. Dus kunnen we maar beter onze maskers afdoen, er ‘gewoon zijn’, zoals honden. ‘Want honden aaien kunnen we allemaal.’