Boeken

De lezing van Ilija Trojanow: De geheime dienst is voer voor de romancier

De dossiers in de archieven van de staatsveiligheid zijn een noodzakelijke bron voor de romanschrijver, zegt Ilja Trojanow in zijn openingslezing van het festival Read My World. Dit is de Nederlandse vertaling van zijn lezing.

Ilja Trojanow Thomas Dorn

Stalin

December 1949 besluit de Tsjecho-Slowaakse regering op een heuvel langs de Moldau een gedenkteken voor Stalin te plaatsen. Er wordt een wedstrijd uitgeschreven waar alle beeldhouwers van het land aan moeten deelnemen. Een banketbakker wint met een ontwerp van Stalin aan het hoofd van een groep arbeiders en partizanen. Het monument moet groot worden, het grootste ter wereld, de kleine teen van Stalin groter dan de grootste schoen ooit. Het zal er tot in de eeuwigheid moeten tronen. Daarom wordt het van graniet gehouwen. Het schijnt moeilijk te zijn om een steengroeve te vinden waar men de kolossale granietblokken in kan snijden. Uiteindelijk blijkt het monument te zwaar voor de zandsteenheuvel en moet deze met holle betonblokken opgevuld worden. Op 1 mei 1955 is de onthulling. Nog voor de opening verhangt de beeldhouwer zich. Zijn vrouw heeft al een jaar eerder de gaskraan opengezet. De man die voor het figuur van Stalin model heeft gestaan, zoop zich dood, want voortaan noemde iedereen hem enkel nog ‘Stalin’. En een arbeider die tijdens de werkzaamheden was uitgegleden, werd door de pink van Stalin gedood.

In 1961 besluit men het monument te slopen. Naar het schijnt is het niet makkelijk om iets eeuwigs te verwijderen. Een onnauwkeurige ontploffing zou half Praag kunnen opblazen. Bovendien is het voor pyrotechnici verboden om springladingen aan het hoofd van Stalin te bevestigen. Ofschoon de ontploffingen foutloos verlopen, stort de pyrotechnicus ineen en belandt hij in een inrichting. De ruiming van de brokstukken duurt een jaar. Het monument heeft nooit bestaan.

Lees onze recensie van het nieuwe boek van Trojanow: Verraad, hoe luidt je naam?

Meer dan veertig jaar later gaat de Poolse journalist Mariusz Szczgiel op onderzoek uit. In het Centrale Archief wordt hem verteld dat de documenten met betrekking tot het Stalin-monument aan geheimplicht zijn onderworpen. Het lukt hem de geheimplicht op te laten heffen. In de dossiers staat geen enkel woord over de zelfmoord van de beeldhouwer. Er is naar verluidt zelf niet eens een dossier over hem. De beeldhouwer van het monument heeft nooit bestaan.

Szczgiel schrijft: in situaties waarin men zou moeten zeggen: ‘ik was bang om erover te praten’, ‘ik had de moed niet om ernaar te vragen’, ‘ik wist er niets van’, zei men liever:

Daarover WERD NIET GESPROKEN

Dat WIST MEN NIET

Daar WERD NIET NAAR GEVRAAGD

Alsof de mensen geen invloed hebben gehad en persoonlijk geen verantwoordelijkheid wilden nemen.

Er is dus wel een Stalin-monument. Het werpt een schaduw op het denken van de bewoners van Praag. En niet alleen daar.

Szczgiels tekst is een documentair bericht, een reportage. Toch weet hij de iconografie van de grootheidswaanzin, het absurde van een absolute heerschappij en de afgedwongen verering weer te geven als een hedendaagse Kafka. Hoe vaker men zijn verhaal leest hoe meer men het ziet als een fantasmagorie; als pure fictie.

Documentair materiaal in een reportage of roman is de natuurlijke tegenvoeter van gedenktekens; het is het juiste instrument voor degenen die geen pyrotechnische opleiding genoten hebben; het is een springlading met vertraagde explosie. Soms komt het tot ontploffing, soms niet, soms is er een krachtig vuurwerk, en soms slechts een korte knal. Monumenten zijn de uitroeptekens van de macht. Literaire teksten zijn de vraagtekens van het individuele verzet, die de staatsarchieven weerspreken (ja, hij heeft geleefd, de beeldhouwer, zijn naam was Otakar Svec, hij pleegde op 3 maart 1955 zelfmoord) en die de monumenten met graffiti besproeien (toegegeven iets subtieler en meer reflecterend dan de gebruikelijke graffiti).

Kerberos

Het geheugen ligt begraven onder het fundament van gedenktekens. Enkel in sentimentele films is herinnering een persoonlijke zaak. In het echte leven woedt een existentiële strijd om het herinneren. De verliezers worden weggevaagd, verdwijnen voor lange tijd of voor altijd uit de geschiedenis. Het is een ongelijke strijd. Aan de ene kant is er het apparaat, ondoorzichtig, gewapend met een afweerschild dat ‘Nationale Veiligheid’ wordt genoemd, gesmeed door de continue machtsuitoefening. Aan de andere kant zijn er de individuele stemmen: zacht, kwetsbaar nauwelijks hoorbaar in de kakofonie van de willekeur. Equality of arms kan slechts in de literatuur tot stand gebracht worden. Dit is niet ongevaarlijk. De afdaling naar de catacomben van het Staatveiligheidsarchief is een reis door een eigentijdse Hades, die bewaakt wordt door een geüniformeerde Kerberos met honderd koppen en honderd petten.

Toen eind jaren negentig van de vorige eeuw het archief van de Bulgaarse veiligheidsdienst voor het eerst gedeeltelijk en slechts tijdelijk opengesteld was, vroeg mijn oom, die jarenlang politiek gevangene is geweest, toegang tot zijn dossier. Hij kreeg de volgende mededeling:

Volgens het door ons uitgevoerde onderzoek in de archieven van de Staatsveiligheid is gebleken dat de veiligheidsdienst geen informatie over u heeft verzameld.

Vier jaar lang klopte hij op de zware deur van het archief, vier jaar lang kreeg hij leugens te horen, vaak werd hij weggestuurd met lege handen, honderd keer beweerde een van de honderd koppen dat er niet meer over hem bestond dan de dunne map in zijn handen. Na vier jaar van onophoudelijke strijd tegen de democratische Kerberos had hij twintig dikke dossiers bijeengebracht. Deze dossiers staan als een altijd zichtbare vermaning in mijn werkkamer. Ze bevatten alles wat het leven ondraaglijk maakt: vervalsing, verdoezeling, verwarring en veelal schijnbaar kleine maar des te meer tragische verhalen over verraad.

Huis vol afluisterapparatuur

Zo bijvoorbeeld over een man met de naam Kolya. Hij vermoordt zijn ontrouwe vrouw, vervolgens probeert hij te ontsnappen maar wordt aan de grens opgepakt. Hij krijgt twaalf jaar gevangenisstraf voor doodslag, dertien jaar wegens illegale grensoverschrijding. „Jou zullen we eens iets laten zien!” schreeuwden de bewakers in de gevangenis, „jij verdomde landverrader”. Kolya capituleerde en verklikte zijn medegevangenen.

In de dossiers staan eveneens rapporten van gesprekken die onder het dekbed gevoerd werden. Onze krappe woning in Sofia was vol afluisterapparatuur. Zo kreeg ik het zeldzame voorrecht na te lezen waar de volwassenen over spraken toen ik nog een baby was. „Jij hebt het makkelijk,” zei mijn tante op een dag tegen mijn oom. „Jij bent aan het pak slaag gewend. Maar wat moet ik? Van pure angst dat ze een hand tegen me zullen opheffen doe ik ’s nachts geen oog dicht.” Een aantal maanden later, mijn oom was plots verdwenen, zei mijn grootmoeder: „Hij kan niet gevlucht zijn. Hij heeft niet eens een tweede paar sokken mee, ofschoon hij die tweemaal daags wisselt.”

Het zijn van dit soort ongehoorde miniaturen uit de schat van ervaringen van de menselijke verwording die het schrijven stimuleren, ja ronduit uitdagen. Het was vanaf het begin duidelijk dat ik dit materiaal serieus moest nemen tijdens de literaire bewerking ervan. Niet eens zozeer vanwege de familiebanden en het voorrecht dat mij deze documenten in de schoot zijn geworpen, maar tegen de achtergrond van recente ontwikkelingen kan een roman over de relatie tussen de geheime dienst en de bevolking, tussen de aanhangers en verzetslieden, en aldus een poging het verleden innerlijk te verwerken, niet aan dit materiaal voorbijgaan. In elk van de documenten, die ik tot mijn beschikking had, was een facet van de relatie tussen staat en individu zichtbaar. Om de ingewikkelde zaak tussen macht en onmacht te doorgronden, om over de weerstand van toen te reflecteren, kon ik niet doen alsof de dossiers niet bestonden. De getuigenissen van de overlevenden eisten mijn respect. De kracht van het documentaire materiaal was tegelijkertijd een vorm van waarachtigheid.

Sommige romans worden bevolkt door medeplichtigen en lafaards maar niet door medeverantwoordelijke daders.

Mijn roman Macht & Verzet werd bespoedigd door de ontmoeting met getuigen. Hun diep ontroerende persoonlijke verhalen moesten verteld worden. Hun ervaringen mogen niet spoorloos wegsijpelen en hun stemmen niet voorgoed verstommen. Herinnering ontstaat door er vragen over te stellen. Ze ontstaat door Kerberos te overwinnen en tot bij Orpheus door te dringen. Wie niet steeds weer het verleden binnengaat, wordt vergeten. Het geheugen wordt niet verdrongen, maar het verkommert als een spier die veel te lang niet meer werd gebruikt.

Het Kwade

Wij hebben de neiging de schuld in de schoenen van het totalitaire systeem te schuiven, want het heeft de vrijheid van het individu op brute wijze beperkt. Als gevolg daarvan zijn sommige romans bevolkt door medeplichtigen en lafaards maar niet door medeverantwoordelijke daders. Met het woord ‘schurk’ associëren wij tegenwoordig monsters uit thrillers en tv-series zoals de karikaturale personage Hannibal Lecter. Hem wordt demonisch gedrag toegeschreven dat het publiek juist fascineert omwille van de uitzonderlijke overtreding van alle morele grenzen door een enkeling. Niemand van ons acht zich ertoe in staat zelf zo te kunnen zijn. We wanen ons veilig, in onszelf of in onze naasten zal zeker geen Hannibal Lecter schuilgaan. Om die reden zijn zulke misdaden – in tegenspraak met het normale taalgebruik – geenszins ‘onvoorstelbaar’. Integendeel: we hebben in onze verbeelding een ereplaats voor figuren als Hannibal Lecter ingericht.

Het documentaire materiaal daarentegen toont de normaliteit van het kwade; de vele kleine, vaak bijna triviale stappen vormen tezamen het mensonterende.

Elk afzonderlijk dossier en getuigenis herinnert mij aan de Stolpersteine (herdenkingsstenen) in veel Duitse en Oostenrijkse steden, dit kleine memento proditio: hier verklikte meneer M. zijn vriendelijke buur, hier verklikte mevrouw W. haar homofiele onderhuurder, hier verklikte meneer S. zijn Joodse collega. Onder het leer van onze schoenzolen bevindt zich een getaande herinnering aan de werkelijke gruwel van de vermeende kleine wreedheden die op een of andere manier gerechtvaardigd misschien zelf verontschuldigd kunnen worden. Het kwaad wordt als morele categorie en literaire vraag pas dan interessant als we het met een handzame schminkkoffer vol zelfrechtvaardiging langs zien komen. ’Het ongeluk bestaat erin,’ schrijft Dostojewski, ‘een misdaad te begaan zonder een schurk te zijn of zich er voor een te houden.’ Het materiaal bevat vaak dergelijke rechtvaardigingen. Ze mogen legalistisch of opportunistisch zijn, de hoofdzaak was, dat ze de daders toestonden zich er met een goed geweten in te schikken.

De verklikkers vervalsen de realiteit, hun onderzoek stemmen ze – zoals bij slechte schrijvers – af op hun zelfgekozen doel

‘Er zijn monsters, maar het zijn te weinig om werkelijk gevaarlijk te kunnen worden. Gevaarlijk zijn de gewone mensen,’ schrijft de Italiaanse schrijver en overlevende van de Holocaust Primo Levi. En wij knikken begrijpend en vragen ons af hoe het mogelijk was dat onze voorouders binnen een paar jaar van normale mensen in gewelddadige volgelingen van een onmenselijk regime konden veranderen en weer terug veranderden in aardige, onopvallende, heel normale op leeftijd gekomen burgers. We verbazen ons wanneer we lezen hoe in Somalië, Noord-Korea, in Guantánamo en Irak ‘normale’ mensen door andere ‘normale’ mensen brutaal en systematisch vermoord, gemarteld en mishandeld worden. Hier, en niet bij Hannibal Lecter is de plaats van onvoorstelbaarheid. Als we geen maatstaf kennen bij de literaire weergave van het individuele kwaad, dan nemen we het kwaad niet serieus. Voor mij is het werken met documentair materiaal de maatstaf.

De Literaire Kwaliteit

Dit alles verklaart niet waarom ik documenten uit het staatsarchief in de roman een op een heb geïntegreerd, een zeer moeizaam proces. Niet enkel vanwege de keuzes die je moet maken, maar ook om hen organisch te laten samensmelten met fictieve personages en verhaallijnen. Ten eerste kan worden vastgesteld dat de documenten de verbeelding niet inperken, integendeel op een merkwaardige manier stimuleert het juist de creativiteit van de auteur. Ze bevrijden hem van de scrupules en twijfels over de echtheid en aannemelijkheid van zijn schepping. Bovendien veranderen de documenten zodra ze in een ‘vreemde’ context komen te staan. Als deel van een roman verandert hun werking. In hun onderlinge verhouding tot de fictieve elementen worden de documenten ondervraagd en ondermijnd. Deze hybride aanpak werkt voor de lezer zowel hyperrealistisch als ook surreëel vergelijkbaar met het aanvankelijk beschreven rapport van Mariusz Szczygieł. Door de inbedding van documentair materiaal in een roman wordt het historisch bronmateriaal driedimensionaal. Ik leerde dat bij het lezen van Steve Sem-Sandberg’s De onzaligen van Łódź, een meesterwerk van de Zweedse documentaire roman.

Maar het belangrijkst lijkt mij de taak het archief van de veiligheidsdienst (van elke veiligheidsdienst) door dit procedé te deconstrueren. De aandachtige lezer zal opmerken dat de officieren en verklikkers alles behalve betrouwbare informanten zijn. Integendeel: ze overdrijven en verdonkeremanen, ze manipuleren en exploiteren. Ze zijn onnauwkeurig en slordig. Zij vervalsen de realiteit, hun onderzoek stemmen ze – zoals bij slechte schrijvers – af op hun zelfgekozen doel, de enige richtlijn van hun inzichten. Men zal hun alomvattend moeten wantrouwen. De waarheid bevindt zich niet in de archieven tenzij men ze in het licht van de literaire fictie rukt.

Schrijven helpt mij mijn eigen vooroordelen en beperkingen te overwinnen en mezelf steeds weer in twijfel te trekken.

Tenslotte zal ik uitleggen welke betekenis het genre van de roman voor mij heeft. Het is geen middel voor meditatie of zelftherapie maar een instrument voor onderzoek en wel het beste dat we hebben. Het is naar alle kanten een open vorm. Om aan dit hoge ideaal te voldoen behoeft het naar mijn mening een nauwgezet onderzoek. Hoe meer ik onderzoek hoe minder belangrijk lijken me mijn eigen gevoelens. Heb je tijdens het werk geen walging gevoeld, werd mij herhaaldelijk gevraagd. Jazeker, heb ik geantwoord, maar wat voor een overbodig gevoel is walging wanneer het mij verwijderd van de Zeitzeugen die ik probeer te begrijpen en die zich de luxe van walging niet kunnen veroorloven. Hoe meer ik onderzoek, des te meer raak ik geïnteresseerd in de werkelijkheid van een ander. Schrijven helpt mij mijn eigen vooroordelen en beperkingen te overwinnen en mezelf steeds weer in twijfel te trekken. Schrijven is voor mij een manier om het eigen ego te bedwingen. De confrontatie met het onbekende houdt me in een toestand van trillende onzekerheid, een uitstekende toestand voor het schrijven, dat niets zozeer zal moeten vrezen als zekerheid en vertrouwdheid. Ik wantrouw de louter fijngevoelige benadering omdat ze vaak leidt tot willekeurige ignorante betweterij of een totaal gebrek aan ambitie om complexe verbanden te begrijpen en te verklaren. We zouden ons weer bewust moeten worden van de oorspronkelijke betekenis van het woord roman – een episch verslag dat een grote openbare gebeurtenis tot thema heeft – een gebeurtenis die veel mensen beweegt en bezighoudt. Het zal kloppen dat een hele wereld zich in een diamant weerspiegelen kan, maar deze diamant moet op een uitzonderlijke wijze meesterlijk gepolijst zijn. Om deze diamant te kunnen slijpen is in mijn ogen de documentaire aanpak onontbeerlijk.

Vertaalt door Annelie David