Recensie

De grote vragen zitten onder de honing in de nieuwe Stefan Hertmans

Als literatuurkritiek alleen stijlkritiek was, waren we snel klaar met zijn nieuwe roman. Maar doorlezen loont.

Illustratie Kamagurka

Er zijn van die woorden die je, als je ze in een tekst tegenkomt, een zucht van vermoeidheid doen slaken. Letterlijk. Vaak wordt ‘letterlijk’ gebruikt in de betekenis van ‘figuurlijk’, bijvoorbeeld in de zin: ‘Joodse jongens leven letterlijk op een andere planeet.’ Dan is het fout. Of het verwijst wel naar wat er precies gebeurt en dan vraag je je af: waarom staat het er eigenlijk?

Neem de zin ‘De befaamde Rocher du Cire – de steile, monumentale rots waar hoog en onbereikbaar de bijen zwermen en de steen in de zomerzon glimt van de honing die letterlijk van de rotswand druipt – staat er ongenaakbaar en desolaat bij, massief verzonken in de ochtendnevel.’ Behalve dat overbodige ‘letterlijk’ heeft de auteur hier zoveel adjectieven in zijn observatie gestopt dat het hem kennelijk niet is opgevallen dat hij die Rocher du Cire tegelijkertijd laat glimmen in een zomerzon én laat verzinken in een ochtendnevel. Zulk weer hebben wij thuis niet.

De zin staat op de eerste pagina van De bekeerlinge, de nieuwe roman van Stefan Hertmans, die ook in de volgende bladzijden opvalt door de hoeveelheid zintuiglijkheden die op de lezer neerdaalt. ‘Het landschap geurt hemels in de vroege uren, het ademt een bovenaardse schoonheid.’ Daarna volgen, overigens eerder aards dan bovenaards: openstaande irissen, een bloeiende kerselaar, de ‘kleine felle bloemen’ in de rozemarijn en het ‘aroma van de tijm’.

Kitsch

Literatuurkritiek is méér dan stijlkritiek, anders was ik afgehaakt op pagina 121, als de heldin van het verhaal in de buurt van Narbonne aan zee staat: ‘Ze ziet voor het eerst de Middellandse Zee en wordt overweldigd door een onstuimige vreugde. De zee is wild en felpaars met witte schuimkoppen. De zon is ongenadig en het licht verblindt haar. De tramontane geselt de enkele kromme bomen en heesters. Op de witschuimende golven schommelen enkele visserssloepen.’ Het is over-written, het is schuimkoppend-dubbelop, het is effectbejag, het is kitsch. En De bekeerlinge staat er vol mee.

Toch is dat niet het enige wat over de roman valt te zeggen. Laten we eerst naar het verhaal kijken. Dat kent twee lagen. De hoofdlijn is het levensverhaal van Vigdis Adelaïs, een meisje met Vikingbloed dat eind elfde eeuw opgroeit in de hogere kringen van Rouen en daar verliefd wordt op de jonge jood David, zoon van de opperrabbijn van Narbonne. Intercultureel trouwen is geen optie: als een personage van Thea Beckman vlucht Vigdis met David naar het zuiden. Eerst naar zijn familie in Narbonne, maar omdat er intensief naar de blonde Vigdis wordt gespeurd, verstoppen ze zich in het dorpje Monieux in de Provence, waar ze drie kinderen krijgen. Inmiddels heeft de jonge vrouw een joodse naam: Hamoutal, ‘warmte van de dauw’.

Ontvoering

De tocht naar Monieux zal niet haar laatste vlucht zijn: het dorp wordt in 1095 door kruisvaarders overvallen, de synagoge wordt in brand gestoken en David wordt vermoord als hij vergeefs probeert te voorkomen dat hun twee oudste kinderen worden ontvoerd. Hamoutal besluit naar Jeruzalem te reizen om haar kinderen te zoeken, maar eindigt na een tocht vol overvallen, ongelukken en aanrandingen in Egypte. (Van daaruit gaat het later weer verder/terug, maar dat laten we hier nu even rusten.)

Er zit namelijk een tweede verhaallijn in De bekeerlinge en dat is die van de verteller, een schrijver die al twintig jaar een buitenhuisje heeft in Monieux en gefascineerd is door het verhaal van Hamoutal, dat hij kent uit een artikel over een elfde-eeuws manuscript. Hij besluit haar na te reizen, van Rouen naar zijn ‘eigen’ dorp, de Alpen over en ten slotte tot in Egypte. Het is een moeizame tocht, waarin de schrijver (laten we hem voor het gemak Hertmans noemen) probeert om met het duizend jaar oude verleden in contact te komen. Dat is lastig: ‘Uitgummen: de tankstations, de supermarkten, de drukke voorsteden, de woonkernen, de inrichting van het platteland, de velden en akkers.’ Hij realiseert zich hoe belangrijk het is dat je tussen Rouen en Narbonne veertig wateren moet oversteken. Wanneer hij vastloopt in de Alpen, concludeert hij: ‘Wat een idiote onderneming.’

Vluchtelingenstroom

In de essayistische passages is Hertmans op dreef. Hij schetst een sterk beeld van de kruisvaarders die plunderend naar Jeruzalem trekken, en vergelijkt die tussen de regels door met de vluchtelingenstroom die afgelopen zomer precies de omgekeerde route aflegde. Zo wordt de hedendaagse reis van de slachtoffers een spiegeling van de tocht van de daders duizend jaar geleden, compleet met opmerking van de schrijver over verstoring van het ‘demografisch evenwicht’.

Heel expliciet schrijft hij: ‘Maar het is niet de Moor die komt, het is een leger recht uit het volk zelf, geen vijand die van buiten komt, maar een die in de harten schuilt en nu onweerstaanbaar naar buiten breekt, gevoed als hij is door jarenlange hetze, kleine afrekeningen, wraakoefeningen op een buur, stemmingmakerij, verwijten over en weer, fabeltjes over rituele joodse kindermoord, over kannibalisme, zogenaamde ontvoering van onschuldigen door rabbijnen, demonie en duivelsritueel.’ De vijand in het eigen hart, daar kan geen mens zijn cultuur van vrijpleiten.

Ook merkt Hertmans op dat de islamitische jihad, die nu weer miljoenen op de vlucht jaagt, ontstond als reactie op de kruistochten. Intussen vlucht zijn heldin in haar eentje van Europa naar Egypte: zo schetst De bekeerlinge een eindeloze wirwar van bewegingen over land en zee, toen en nu – waarbij in elk geval duidelijk is dat er in Oost noch West superieure culturen te vinden zijn of waren. Bekeerlingen, die als migranten niet in één hokje passen, zijn hoe dan ook het slechtste af.

Speurtocht

De combinatie van een historisch/biografische speurtocht met romantische fictie kennen we uit Oorlog en terpentijn (2014). Dat boek bracht Hertmans (1951), al twintig jaar bivakkerend in een dunbevolkt intellectueel hoekje van de letteren, kolossaal succes. Inmiddels stroomt de internationale bewondering binnen voor de roman rondom de vondst van het dagboek uit de Eerste Wereldoorlog van zijn grootvader. Het is een welverdiend succes, niet zozeer vanwege de gruwelijke oorlogswaarheid die de roman bevat, maar door het constante gesprek over waarheid en verbeelding dat de auteur erin met zichzelf voert, daarbij geholpen door het beroep van de grootvader, die schilder was.

Toch was er ook kritiek. Arnon Grunberg schreef een scherp essay in deze krant waarin hij stelde dat Oorlog en terpentijn óf een briljante roman was over een verzonnen oorlogsdagboek óf de bekering van de intellectueel Hertmans tot ‘volkse kunst’. Als klap op de vuurpijl suggereerde hij dat het boek toonde ‘dat de ontwikkeling van een schrijver, of hij nu wil of niet, uiteindelijk wordt gedicteerd door de markt’.

Lees het essay van Arnon Grunberg: Alleen de kopie toont het obscene

Het is moeilijk om de uitwerking van het verhaal (met formuleringen als ‘Het oeroude feest van het leven’) van Hamoutal niet te verbinden met de gedachte dat Hertmans zijn nieuw verworven lezers een verhaal wil voorschotelen dat even hartverscheurend is als zijn vorige roman – met het risico dat lezers met een lagere kitschpijngrens van de pagina’s zouden worden gejaagd.

Flinterdun

Toch heb ik geen spijt dat ik heb doorgelezen. Dat heeft te maken met de uiteindelijke wortels van het verhaal, die Hertmans geleidelijk prijsgeeft. Ook hier gaat het om een manuscript: de aanbevelingsbrief die Hamoutal op haar tocht naar Egypte bij zich droeg en die in de negentiende eeuw in Kairo werd gevonden. Uiteindelijk is die brief de historische bron waarop Hertmans zich voor haar verhaal baseert. En wat blijkt? Er staat eigenlijk alleen een verslag in van de pogrom waarbij David werd gedood en de kinderen werden ontvoerd. En dat de weduwe van David een tot het jodendom bekeerde christen was, van goede komaf en uit verre streken. Plus een verwijzing naar Narbonne. Er bestaat een tweede brief waarin een vrouw, mogelijk dezelfde, in Noord-Spanje van de brandstapel wordt vrijgekocht (ook dat verwerkt Hertmans in de roman).

Maar van haar naam geen spoor. Vikingbloed, Rouen? Niets, ze zou ook best uit Spanje kunnen komen. De reis naar Egypte? Dat laatste wordt alleen ondersteund doordat de aanbevelingsbrief dáár werd gevonden. Zelfs de veronderstelling dat de pogrom in Monieux plaatsvond, blijkt niet meer dan een hypothese: verdedigd door de ene historicus, betwijfeld door anderen, die denken dat het ‘MNYW’ in het document eerder verwijst naar een Spaans dorp. En zeker als je op internet nog even doorzoekt op ‘de proseliete van Monieux’, wordt duidelijk hoe flinterdun het historische materiaal is waar Hertmans zich op baseert.

Véél te vertellen

Dat maakt de ‘idiote onderneming’ van het nareizen van Hamoutal een steeds vreemder project. Hertmans laat zijn verteller een parcours nalopen dat hij eerst zelf heeft verzonnen. Logisch dat hij zo weinig sporen aantreft! Gek dus, maar gek is interessant. Want dan hebben we het ineens over de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid. Of preciezer: over het menselijke verlangen om wat we verzinnen, in de werkelijkheid bevestigd te zien. Daar passen ook veel literaire verwijzingen in de roman bij. Naar Edward Saïds oriëntalisme en natuurlijk naar Proust. Hamoutal en David bedrijven voor het eerst de liefde op de plaats waar later Illiers zal liggen, het dorpje dat werd vereeuwigd in À la recherche du temps perdu en dat inmiddels Illiers-Combray heet: de fictieve naam uit de roman is aan de echte toegevoegd om het toeristen makkelijker te maken.

Doordenkend over hetzelfde thema: misschien wil Hertmans wel laten zien dat als we aan het verzinnen slaan, dat al snel tot kitsch leidt, of dat we juist niet bang moeten zijn om in kitsch te geloven.

Daar komt nog wat bij. Als religie het verhaal is dat wij onszelf over de compositie van de wereld vertellen, dan is bekering een verandering van verhaal. En de geschiedenis van Hamoutal laat zien hoe moeilijk het is om bij zo’n nieuw verhaal te blijven: op de vlucht bidt ze tot verschillende goden, aan het eind van haar leven weet ze niet meer wie ze is. Dat past bij de verteller in de roman, die met bijna religieuze volharding, blijft zoeken naar de historische bevestiging van het verhaal dat zich in zijn hoofd heeft gevormd. Dat begint met een paar stukken bijna duizend jaar oud papier, maar heeft zich daar inmiddels van losgezongen.

Zo raakt De bekeerlinge aan vragen over het belang van verhalen, van religie en literatuur – zoals kunst vermag. Deze schrijver heeft véél te vertellen. Laten we hopen dat hij daar in zijn volgende boek een overtuigender verpakking voor vindt dan de oververhitte woord-, beeld- en clichémachine die deze roman óók is. Figuurlijk, maar desalniettemin.