Mijn verhaal: een biografie in blessuretijd

Recensie

Journalist Jaap de Groot van De Telegraaf tekende het verhaal van Johan Cruijff op. De autobiografie is in grote haast gemaakt, en dat is aan het resultaat af te zien.

Johan Cruijff met de Gouden Bal voor de beste voetballer van het WK in 1974. Foto ANP

Er staan van die dingen in Mijn verhaal, de autobiografie van Johan Cruijff, waar je bij had willen zijn. Zoals de dag waarop Cruijff debuteerde bij de Los Angeles Aztecs, waar zijn oude leermeester Rinus Michels coach was. De contractbesprekingen verliepen ‘op typisch Amerikaanse manier’, dat wil zeggen: razendsnel. Cruijff moest meteen meedoen. Hij reisde twaalf uur en vier uur na de landing stond hij op het veld en scoorde hij twee keer. ‘Het mooie is dan weer dat Michels na de wedstrijd even langskwam in het hotel om zelf een massage te geven. Ik kon niet meer lopen en dat had hij gezien. Blijkbaar had hij tijdens zijn opleiding als sportinstructeur ook geleerd om te masseren, want hij deed dat uitstekend.’ De Generaal die de dijen van de Verlosser weer een beetje losknijpt – wat wil een lezer nog meer?

Je zou er vooral veel méér van willen, van dergelijke anekdotes. Zoals de verklaring van Cruijff dat na zijn bypassoperatie zijn hartslag enige tijd gemonitord werd, wat leidde tot de conclusie dat er tijdens wedstrijden waarin hij Barcelona coachte niet veel bijzonders voorviel in zijn borstkas, maar dat zijn rikketik daarentegen op hol sloeg als hij moest vergaderen met het bestuur van de club. Of hoe hij op de Groen van Prinstererschool bekend stond als ‘de jongen met de bal’. Johan (Jopie) nam die bal ook mee de klas in: ‘Onder mijn bureau en tussen mijn voeten. Soms haalde de meester ’m weg, omdat ik te veel kabaal maakte. Zonder dat ik er erg in had, was ik met mijn voeten bezig de bal van links naar rechts te tikken.’

Mijn verhaal werd opgetekend door Jaap de Groot, de journalist met wie Cruijff ook jarenlang samenwerkte voor zijn column in De Telegraaf. Er zijn veel redenen om het boek met mildheid te beoordelen. De autobiografie werd ruim een jaar geleden aangekondigd, kort voor bekend werd dat Johan Cruijff aan longkanker leed. Cruijff overleed eind maart – alles moet in grote haast gemaakt zijn. We lezen dus een biografie in blessuretijd – en dat is aan het resultaat af te zien. Niet zozeer in de manier waarop Cruijff zich soms herhaalt, maar vooral aan het gebrek aan evenwicht in het boek.

Bekijk ook: de fotoserie met hoogtepunten van Cruijffs voetbalcarrière

Dat is met 280 bladzijden nog best lang geworden, maar het resultaat hangt flink uit het lood. Zo hadden Cruijff en De Groot best wat langer mogen doorpraten over de jeugd van Cruijff en zijn tijd als speler bij Ajax. Zo zijn we pas op pagina 37 als Cruijff in 1973 door zijn medespelers het aanvoerderschap van Ajax wordt ontnomen en naar Barcelona vertrekt. Op pagina 99 stopt hij met voetbal (1984) en op pagina 135 wordt Cruijff ontslagen als trainer van Barcelona. De hele tweede helft van het boek is dus gewijd aan de belevenissen en opvattingen van de ex-voetballer en ex-trainer Cruijff.

0610cul_boek
Het levert lange stukken op over kleine projecten (soms uitgevoerd met Jaap de Groot) en een zeer lange en eenzijdige bespreking van de reeks ruzies die Cruijff in de laatste vijf jaar van zijn leven uitvocht in wat aanvankelijk een ‘fluwelen revolutie’ bij Ajax werd genoemd. Het vergt nogal wat achtergrondkennis om die pagina’s te volgen – en dan nog voegen ze weinig toe aan wat er de afgelopen jaren over hetzelfde onderwerp in Cruijffs column heeft gestaan.

Mijn verhaal volgt nu grotendeels bekende paden. Bij meer tijd, of meer ambitie van De Groot, had dat laatste deel tot een derde teruggebracht kunnen worden en had hij over de eerdere periode meer van Cruijffs herinneringen naar boven kunnen halen. Nu spreekt Cruijff vaak over ‘bepaalde mensen’ of ‘sommige spelers’. Dat is het moment waarop de ghostwriter om, in voetbaltermen, namen en rugnummers moet vragen. Zeker had ik dat graag gewild bij de verwijzing naar ‘allerlei giftige beesten’ die na zijn transfer naar Barcelona werden opgestuurd. Spinnen? Slangen? Schorpioenen? Vertel!

Bekijk ook: de fotoserie met hoogtepunten van Cruijffs voetbalcarrière

Meer dan het leven van Cruijff, zie je de pratende Cruijff voor je – de oude man de nog een keer van alles wil rechtzetten en uitleggen en iets aardigs kwijt wil over zijn jeugdtrainer en over zijn zoon Jordi. Maar verreweg het liefst praatte Cruijff over voetbal. Door het hele boek heen dwaalt hij van de grote lijn van zijn levensloop af om grotere of kleinere tactische uiteenzettingen te geven: ‘Om dat te doen moest Neeskens zijn man loslaten. Zijn tegenstander stond daardoor vrij, maar kon niet met Neeskens meelopen omdat vanuit onze verdediging Wim Suurbier naar de positie van Neeskens was doorgeschoven. Omdat hij Wim in de gaten moest houden, kwam deze tegenstander met zijn rug naar het duel tussen Neeskens en mij met zijn medespeler te staan. Zo was er snel en effectief een manmeersituatie gecreëerd.’

Je kunt je de handgebaren erbij voorstellen, en de verwonderde blikken waarmee de toehoorders proberen een beetje te volgen wat de man bedoelt. Op die momenten is Cruijff dan toch even dichtbij, net als bij de uitleg waarom hij van jongs af aan al zo goed hoofdrekenen kon. Hij hielp soms in de groentenzaak van zijn ouders, maar was te klein om bij de kassa te kunnen – en moest dus alle bedragen uit hoofd optellen.

In de bibliotheek van boeken over Cruijff – vorige week werden er nog twee aangekondigd, van Auke Kok en Arthur van den Boogaard – zal ‘Mijn verhaal’ niet meer zijn dan een voetnoot bij het magistrale Cruijff, Hendrik Johannes Fenomeen van wijlen Nico Scheepmaker uit 1972. Strikt genomen is deze autobiografie een gemiste kans, al moet je misschien ook wel concluderen dat er, gezien het razendsnelle verloop van Cruijffs ziekte, niet veel meer in zat.

●●