Recensie

China – VS: zoek de drie verschillen

Floris-Jan van Luyn verkent de twee werelden van China en de VS en ontdekt dat er in feite maar één is.

De skyline van Chongqing aan de Yangtse-rivier. Foto Reuters

Dai Zhikan is een van China’s nieuwe superrijken. Zijn vermogen wordt geschat op 710 miljoen dollar. Als boerenzoon, die zijn jongensjaren doorbracht als koeien- en varkenshoeder, is hij een belangrijk voorbeeld van de sprong van armoede naar superrijkdom waarvan veel Chinezen dromen, maar die is slechts weggelegd is voor ‘een zeer exclusieve club’.

Toch beschouwt Dai zijn rijkdom niet als een onverdeelde zegen, ondanks het feit dat hij filantropie zijn ‘tweede natuur’ noemt. ‘De behoefte aan hulp is zo groot in China dat je binnen de kortste keren in je hemd staat. Er komt gewoon geen einde aan.’ Dai heeft ook een onheilspellende mededeling. ‘Over dertig of veertig jaar is het afgelopen. Dan stopt de groei. Dat beloof ik je. Zoveel mensen kan de wereld gewoon niet aan. Dan is het gedaan.’

Joe England is politiechef van Tiptonville in Lake County, Tennessee. ‘Criminaliteit is de redding van onze lokale economie,’ poneert hij. Het ene na het andere bedrijf heeft er zijn deuren moeten sluiten, maar de lokale gevangenis is gebleven. En die levert zevenhonderd banen op, ‘een onderneming die ongevoelig is voor recessie’. Joe’s werk draait vooral om drugsgerelateerde zaken, die tachtig procent uitmaken van zijn werk.

Vergelijkbare problemen

Het zijn twee situatieschetsen uit Aan de andere kant is alles beter waarin, oud-China correspondent voor deze krant, Floris-Jan van Luyn (1967) in Amerika stroomafwaarts de Mississippi afzakt en in China stroomopwaarts de Yangtze langs reist. Veel problemen binnen beide economische grootmachten zijn vergelijkbaar: een groeiende kloof tussen arm en rijk, verwoesting van de natuurlijke omgeving, wantrouwen jegens de centrale overheid (in de VS historisch geworteld, in China vooral groeiend onder de jongere generatie), en niet te vergeten discriminatie: in de VS van zwarten en native Americans, in China van Tibetanen.

Een belangrijk verschil is de rol van de godsdienst: in China is die tanende, in de VS onveranderlijk groot. Het Chinese deel van het boek is interessanter, misschien omdat Van Luyns kennis van land, taal en geschiedenis dieper lijkt te reiken dan die van de VS. Dat maakt ook zijn observaties daar persoonlijker en raker.

Zijn ambitie is om twee werelden te verkennen en te laten zien dat er in feite maar één is: ‘die waarin mensen altijd op zoek zijn naar een betere toekomst […] waarin mensen niet tegenover elkaar staan, maar naast elkaar.’ Die ambitie maakt hij in dit kleurrijke en uiterst prettig geschreven boek wel waar, maar dat is nou ook weer niet zo’n sensationele observatie; daarom is de titel ook merkwaardig. Die suggereert dat zowel in de VS als in China met afgunst en begeerte naar de andere kant van de wereld wordt gekeken. Op enkele terloopse opmerkingen na van Chinezen die zich graag in de VS zouden vestigen, en Amerikanen die met bewondering de Chinese economische groei aanschouwen, en hun producten er gaarne heen exporteren, wordt die intentie niet bijster serieus aangehangen. Een titel als ‘het is hier lang niet pluis, maar we doen het er maar mee’ zou de lading beter dekken. Maar met zo’n titel zou dit originele, vaak somber stemmende boek niet snel opvallen.