Recht & Onrecht

Ook grote kantoren moeten pro deo-zaken doen

De toegang tot het recht voor mensen met een laag inkomen staat onder druk. De oplossing mag niet worden ‘afgeschoven’ op de sociale advocatuur. Britta Böhler schrijft in de Togacolumn dat ook de commerciële praktijk de leemte in de rechtshulp moet helpen voorkomen.

Dinsdag werd met algemene stemmen (!)  in de Tweede Kamer  een motie aangenomen, die een streep haalde door een aantal voornemens van de regering met betrekking tot de geplande bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp. Twee knelpunten die de sociale advocatuur zorgen baarden lijken dus van tafel: de beperking van het aantal uren dat een advocaat in een jaar mag declareren bij de Raad voor de Rechtsbijstand alsmede de eis dat sociale advocaten voortaan niet meer uitsluitend toevoegingszaken zouden moeten doen.

Maar bezuinigd zal er moeten worden

De problemen rondom de voorgenomen bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp zijn hiermee natuurlijk niet opgelost. Want de regering zal hoe dan ook blijven vasthouden aan haar standpunt dat de gefinancierde rechtshulp te duur is geworden en dat er dus bezuinigd zal moeten worden. De regering ziet zich hierin gesterkt door de conclusies van de Commissie-Wolfsen die eind vorig jaar haar rapport “Herijking rechtsbijstand  - Naar een duurzaam stelsel voor de gesubsidieerde rechtsbijstand”  heeft uitgebracht. We zullen moeten afwachten welke concrete plannen de regering te zijner tijd aan het parlement zal voorleggen en het debat over de bezuinigingen zal dan  opnieuw moeten worden gevoerd.

Ook binnen de Nederlandse advocatuur is er een fundamenteel debat over de toekomst van de gefinancierde rechtshulp nodig. Hierbij zou met name aandacht moeten worden besteed aan de vraag wat de advocatuur zelf kan doen om de problemen op te lossen.

Advocatuur heeft eigen verantwoordelijkheid

Jazeker, de zorg voor een adequate financiering van de rechtsbijstand voor mensen met een laag inkomen is in eerste instantie een taak van de overheid. Maar dat neemt niet weg dat de advocatuur een eigen rechtstatelijke  verantwoordelijkheid heeft als het gaat om rechtsbijstand voor mensen met een kleine beurs. Want de dreigende leemte in de rechtshulp voor mensen met weinig geld is een probleem dat ook de advocatuur zich moet aantrekken. En hiermee bedoel ik alle advocaten. Want tot nu toe wordt deze verantwoordelijkheid uitsluitend gedragen door de sociale advocatuur en advocaten die (mede) een toevoegingspraktijk voeren.

Het is uiteraard mooi dat er in Nederland nog steeds voldoende advocaten zijn die zich willen toeleggen op toevoegingszaken en hopelijk blijft de sociale advocatuur ook in de toekomst bestaan. Maar dat betekent niet dat zij binnen de advocatuur de enige zijn die zich verantwoordelijk zouden moeten voelen voor het verlenen van rechtsbijstand aan mensen met een laag inkomen. Dit geldt temeer, nu er steeds meer sociale advocaten in de problemen dreigen te komen en de toegang tot het recht voor mensen met een laag inkomen wellicht niet meer gewaarborgd zal kunnen worden.

Grote kantoren moeten budget Raad ontlasten

Ook de commerciële advocatuur, en dan met name de grote kantoren, zouden er in de toekomst dus een bijdrage moeten leveren. Bijvoorbeeld door een bepaald aantal uren per jaar kosteloos rechtsbijstand te verlenen aan mensen die in aanmerking komen voor een toevoeging. Pro deo in de echte betekenis van het woord, dus, zonder dat er een beroep wordt gedaan op betaling door de Raad voor Rechtsbijstand. Hierdoor zouden de rechtszaken die de Raad moet financieren verminderen, en is er meer geld voor zaken die door toevoegingsadvocaten worden gedaan.

Dit is uiteraard slechts één van de mogelijke oplossingen. Van belang is dat de toegang tot het recht voor mensen met een laag inkomen gewaarborgd zal  blijven. En de commerciële advocatuur dient te beseffen dat ook zij hiervoor mede verantwoordelijk zijn.

 

De Togacolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door een rechter, een officier en een advocaat. Deze week Britta Böhler, advocaat en hoogleraar Advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. 

Blogger

Britta Böhler

Britta Böhler studeerde rechten in Freiburg, waar ze ook promoveerde. Ze werkte aanvankelijk als advocaat in Duitsland en sinds begin jaren 90 in Nederland. Eerst bij Loeff Claeys Verbeke en daarna zelfstandig bij Böhler Advocaten. Ze was tot 2011 senator voor Groen Links. Ze schreef diverse boeken, waaronder 'Crisis in de rechtsstaat' en 'De Beslissing'. Britta Böhler is bijzonder hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.