Column

Ontgroenen

Utrecht, ontgroening van HEAO studenten, 1988. Foto Michael Kooren / Hollandse Hoogte

De vraag kwam niet onverwacht: sinds wanneer kennen wij het woord ontgroenen? Heeft het altijd de betekenis gehad die studentencorpora met een tamelijk vaste regelmaat in de problemen brengt, of is het ook op een andere manier gebruikt?

Ontgroenen heeft inderdaad meerdere betekenissen. De Grote Van Dale kent het in een betekenis die nooit tot mij is doorgedrongen, maar die wel voor de hand ligt: ‘achteruitgaan wat het aantal jongeren betreft’. De voorbeeldzin luidt: ,,De bevolking ontgroent en vergrijst.’’

Ik vermoed dat de corpsbetekenis zo dominant is dat maar weinig mensen een dergelijke voorbeeldzin in het echt zouden uitspreken.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, kent ontgroenen in een betekenis die net zo voor de hand ligt, namelijk: ‘Van zijne bladeren berooven.’ Er wordt aan toegevoegd dat dit een dichterlijk woord is, maar een voorbeeld van ontgroenpoëzie ontbreekt.

Als tweede betekenis vermeldt het WNT ‘iemand ontbolsteren’, een betekenis die ook in de Dikke Van Dale wordt vermeld. Woordenboeken fungeren vaak als taalmuseum en iemand ontbolsteren lijkt me daar een goed voorbeeld van. Ontbolsteren blijkt ‘wereldwijs maken’ te betekenen en dat ligt in het verlengde van het corpswoord.

Het is interessant om de definities van het corporale ontgroenen uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal en de Grote Van Dale met elkaar te vergelijken. De Dikke van Dale is duidelijk: ‘Met allerlei plagerijen, volgens vaste tradities, een proeftijd doen ondergaan alvorens ze op te nemen.’

De redactie van het WNT beschreef het lemma ontgroenen in 1891 en onderscheidde er toen twee vormen van. Eén: ‘Een pas aangekomen student op de proef stellen vóór hij als gelijke wordt behandeld; thans weinig in gebruik.’ En twee: ‘Het verrichten van de plechtige handeling waarmede de candidaten in een corps worden opgenomen; inaugureeren; de thans gewone beteekenis.’

Ik vond dit onderscheid verrassend. Het op de proef stellen klinkt niet best en doet denken aan de narigheden die sommige ontgroeningen nu met zich mee brengen. Het gaat om een woord uit de studententaal dat al in 1784 door Wolff en Deken is opgetekend: „Sommige Studenten belooven zich al reeds magtig veel pret in my te ontgroenen.”

Ontgroenen als plechtige handeling komt ook uit de studententaal en wordt sinds het begin van de 19de eeuw gebruikt. Het klinkt tamelijk onschuldig, maar wie het citaat nazoekt dat de redactie van het WNT hierbij opvoert, stuit juist op een heel nare ontgroening. Die wordt beschreven in een roman uit 1806 van Adriaan Loosjes, Historie van Mejuffrouw Susanna Bronkhorst. Een predikant haalt hierin herinneringen op aan een ontgroening die hij als jonge student heeft meegemaakt. „’t Was een jongeling van goeden huize”, aldus de predikant, „beide zijne ouders waren nog in leven; hij was tusschen de zeventien en achttien jaren oud, frisch en vol van gestel; en deze moest ontgroend worden. Hij trof een’ onbarmhartigen Promotor, zoo als men hem noemde, en voor twaalf uur, was hij een lijk. Dit geval veroorzaakte bij velen, en bij mij een’ diepen indruk, en ik schuwde sedert dien tijd alle partijen, waar het er op toegelegd was, om den een of anderen te bedrinken.”

Niets geen plechtige inauguratie dus, maar een vroeg sterfgeval door overmatig drankgebruik bij een ontgroening.

Ewoud Sanders schrijft op deze plek elke week een column. Twitter: @ewoudsanders