Recensie

Je bent net zo lang gestoord tot je een genie bent

Autobiografie

Ruim een half jaar na zijn dood verschijnt Johan Cruijffs autobiografie. Cruijffiaanse wijsheden, nu over zijn eigen leven. Een absolutistische, maximalistische en egocentrische kijk op sport en samenleving.

Illustraties Sebe Emmelot

Johan Cruijff was bij leven (1947-2016) de succesvolste babyboomer van Nederland. Terwijl de meeste generatiegenoten genoegen moesten nemen met machtsposities in het domein van media, kunst, wetenschap en een beetje politiek, won Cruijff wereldwijd grote prijzen. Op dat ene wereldkampioenschap van 1974 na dan.

Terwijl geen enkele geboortegolfer later premier wist te worden, was hij vanaf medio jaren zestig tot aan zijn dood koning en rebel tegelijkertijd. Cruijff bleef steeds „kijken hoe ik de grens kan opzoeken om een voordeel te pakken”.

Johan Cruijff werd zo het gezicht van de twee gezichten die Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw kreeg: het vrijzinnige en eigenwijze gezicht enerzijds en het materialistische en egocentrische gezicht anderzijds. Dat eerste gezicht vertolkte hij met zijn eigengereide spel, dat hem tot een van de drie beste spelers aller tijden maakte en een belangrijke theoreticus van het voetbal zelf. Dat tweede gezicht uitte zich in zijn autoritaire houding, die er toe leidde dat hij van bijna niemand tegenspraak duldde en toch als een goeroe werd aanbeden.

„Ik gedraag me als een kind van na de oorlog”, aldus zijn postume autobiografie Mijn Verhaal. Zijn tweede dochter gaf hij niet toevallig de Indiase naam Susila. India was in de mode, Beatles en flowerpower waren ook deel van zijn leven. Net als het kabinet-Den Uyl liet hij zich niet onbetuigd bij de spreiding van ‘inkomen’, en iets minder van ‘kennis en macht’. De spelersvakbond VVCS was zijn werk om minder bedeelde talenten te laten profiteren van de commerciële successen. Ook de (eerste) rode kaart, die hij in een interland tegen Tsjechoslowakije van DDR-scheidsrechter Rudi Glöckner kreeg wegens praten, was conform de tijdgeest. „Je deed soms dingen die afweken van de gangbare regels van de vorige generatie”, zei hij tegen Telegraaf-journalist Jaap de Groot die decennialang zijn columns redigeerde en nu Mijn Verhaal heeft opgetekend.

Mede dankzij die weerspannige instelling kon Cruijff het voetbal in Nederland op een hoger plan tillen. Tot zijn entree in november 1964 was de halve finale in de Europacup 1, die Feyenoord in 1963 tegen Benfica speelde, het hoogst haalbare geweest. Na 1968 kantelden de verhoudingen drastisch met vijf finaleplaatsen en vier gewonnen Europacups, een rijtje dat in 1974 werd gecompleteerd met de (verloren) finale van het wereldkampioenschap in West-Duitsland, waar het tot dan onbekende Oranje het ‘totaalvoetbal’ als idee en praktijk muntte.

Ideologische associaties

De term totaalvoetbal roept ideologische associaties op. Dat is riskant. Want hoe autonoom is Mijn Verhaal tot stand gekomen? Was er sprake van regie of kwamen de memoires als een stream of consciousness naar boven? Wanneer zijn ze geboekstaafd? En welke invloed heeft Cruijffs ziekte tot slot gespeeld? Penvoerder Jaap de Groot noch uitgeverij Nieuw Amsterdam legt verantwoording af. Maar als we Mijn Verhaal als een canonieke tekst aanvaarden, dan ontvouwt Cruijff helder zijn absolutistische, maximalistische en egocentrische kijk op sport en maatschappij.

Bekijk ook: de fotoserie met hoogtepunten van Cruijffs voetbalcarrière

De innovaties schrijft Cruijff weliswaar niet louter en alleen op zijn eigen conto, maar hij was naar eigen zeggen wel de enige die het totaalvoetbal doorontwikkelde. Dat ging zo. Het was coach Rinus Michels die hem de basis uit de doeken deed: hou het veld klein bij balverlies, maak het veld groot bij balbezit.

Cruijff borduurde daarop voort met de meevoetballende doelman en de vijf linies die de veldspelers als een harmonica op vijf tot tien meter tot elkaar groepeerden. „Als de afstand en ruimtes kloppen, is alles beloopbaar en overzichtelijk. Dat is de essentie van totaalvoetbal. Je doet altijd wat je ziet. En nooit wat je niet ziet.”

Michels liet Cruijff daarom als 18-jarige al „meedenken over de wedstrijdtactiek”. Cruijff op zijn beurt had een ambivalente verhouding tot de coach met wie hij bij Ajax, Barcelona, Los Angeles Aztecs en het Nederlands elftal samenwerkte. Cruijff respecteerde hem en zijn jeugdtrainer Jany van der Veen als de wegbereiders van zijn talent. Maar dat Michels hem als KNVB-bestuurder via de wandelgangen de pas afsneed naar het bondscoachschap bij het WK van 1990 – twee jaar na Michels’ eigen succes bij het EK in Duitsland – was onbegrijpelijk. Kortom, Michels schiep de professionele voorwaarden, waardoor Cruijff kon gedijen. „Dat de boel door mijn inbreng vervolgens weer naar een hoger niveau kon worden getild, doet daar niets aan af.”

Waterdragers en champagnedragers

Met niemand anders kon Cruijff op gelijke voet staan. Dat bleek vooral na Ajax’ tweede Europacup in 1972. Teamgenoten kregen ineens praatjes. „Waterdragers dachten champagnedragers te kunnen zijn.” Die subordinatie werd niet gecorrigeerd door Michels’ opvolger Stefan Kovacs. „Ontwikkel jezelf”, was het adagium van trainer Kovacs, conform de tijdgeest. Maar het tastte de discipline aan, zeker toen de medespelers ineens Piet Keizer tot aanvoerder verkozen en Cruijff zo naar Barcelona verjoegen.

Michels was voor zulke groepsdemocratie nooit door de knieën gegaan. ‘Doe je werk’, was zijn parool. Dat ging zo ver dat zoon Jordi een week eerder met een keizersnede ter wereld kwam, zodat zijn vader met Barcelona in het hol van Franco’s leeuw tegen Real Madrid kon spelen.

De overstap naar Spanje draaide voor Cruijff uit op een breuk met de egalitaire kant van de jaren zestig. „In tegenstelling tot bij Ajax werd mijn leiderschap bij Barcelona wel geaccepteerd.” Hij kon bovendien een financiële slag slaan. Bij Ajax kreeg hij een miljoen gulden, bij een fiscaal tarief van 72 procent. Bij Barcelona verdiende hij twee miljoen, waarvan de belasting 30 tot 35 procent afroomde. Die factor 4 qua nettobedragen kon hij niet laten lopen zonder een „dief van zijn eigen portemonnee” te worden. Gezag en geld zouden hand in hand blijven gaan. Hij was een trendsetter. Schoonvader „Cor [Coster] en ik liepen voorop”. Vele babyboomers legden daarna ook hun schroom af.

Zijn garderobe en haardracht

Cruijff werd intussen steeds zelfverzekerder. Echtgenote Danny bleef thuis de baas. Zij ging over zijn garderobe en haardracht en zorgde ook anderszins voor ‘evenwicht’. Danny is hors concours, samen met de drie kinderen.

Maar voor het overige? „Roddelende reservespelers” (die in 1974 de zwembad-affaire in Bild zouden hebben ontketend), medestanders „die ineens niet thuis gaven” (Rinus Michels, Piet Keizer, Charly Rexach en Marco van Basten), mensen die hem „kapot wilden maken” (Ajax-voorzitter Ton Harmsen) of twijfelachtige „goede bedoelingen hadden” (bestuurder Leo van Wijk) of een „bankrover” (Barcelona-baas Josep Luis Núñez).

Reflectie? Niet nodig. Van de verloren WK-finale in 1974 lag hij nauwelijks wakker. Een kwestie van hoogmoed die voor de val komt. Wie hoogmoedig waren? Geen woord. De halve finale tegen Brazilië bleef hem meer bij dan de eindstrijd tegen de Duitsers. Dat hij vier jaar later niet meeging naar Argentinië – na een mislukte ontvoeringspoging in Spanje wilde hij zijn gezin, ondanks de permanente politiebewaking, niet alleen laten – speet hem vooral omdat hem zo „de mogelijkheid werd ontnomen” om op zijn hoogtepunt te stoppen.

Zelfkritiek? Onmogelijk. „Ik ben een aanvaller. Daarom is een schaamtegevoel niet aan mij besteed.”

De erkenning dat hij Marco van Basten in 1986 geblesseerd tegen FC Groningen liet spelen en daarmee de toestand van zijn enkel zo verergerde dat de spits zijn carrière vroegtijdig moest beëindigen, is dan ook een uitzonderlijke spijtbetuiging, zij het dat Cruijff daar onmiddellijk op laat volgen het dissidente gedrag van Van Basten nadien als een „soort wraak” te interpreteren.

Die schaamteloosheid betekent overigens niet dat hij alles zelf deed en nooit delegeerde. Cruijff rekruteerde specialisten, zoals een loop- en keeperstrainer of een operazanger voor de ademhalingstechniek. Maar als een speler aan zijn meniscus werd behandeld, stond hij er in de operatiekamer wel met zijn neus bovenop. „Ik kan me niet verplaatsen in iemand die het niet kan”, is een van de mildere uitlatingen in Mijn Verhaal.

Mild, omdat Cruijff zich ondanks zijn sociale betrokkenheid op kritieke momenten juist buiten de gemeenschap plaatste. Toen hij de politieke macht wilde grijpen bij zijn ‘grote liefde’ Ajax – de coup van Cruijff die journalist Menno de Galan in 2011 beschreef in zijn gelijknamige boek – kreeg hij in het beursgenoteerd bedrijf Ajax te maken met een wettelijk verankerde raad van commissarissen. De wet, daar stond hij boven. „Hoe meer ik over de regels van de raad van commissarissen nadacht, hoe meer ik tot de conclusie kwam dat ik mijn eigen regels moest maken.” Ook voor de noeste arbeid van overreding had hij eigenlijk geen tijd. „Ik heb nooit vergaderd. Er is geen mens die in het voetbal meer weet van tactiek, techniek en jeugdopleiding dan ook. Dus waarom discussieer je met mij? Zinloos.”

Hermetisch wereldbeeld

Het zijn voorbeelden van een hermetisch wereldbeeld. Eigenlijk werd hij alleen gehinderd door een welhaast kabbalistiek bijgeloof dat in zijn memoires doorklinkt. Niet toevallig vergeleek Cruijff zijn eigen ‘veertien regels’ voor het voetbal met de tien geboden van het christendom. Helaas – een veel voorkomend woord in Mijn Verhaal – werd zijn grote gelijk niet altijd onderkend. „Maar goed, Rembrandt en Van Gogh werden ook niet begrepen. Dat is wat je leert: je bent net zo lang gestoord tot je een genie bent.”

De hamvraag dringt zich op: met welke doener/denker is Johan Cruijff te vergelijken? Abraham Kuyper? Deze anti-revolutionair dacht eveneens de waarheid in pacht dacht te hebben, maar anders dan Cruijff wel binnen de soevereiniteit in eigen kring en dus niet in de hele wereld. Totalitaire revolutionairen buiten Nederland? Het verschil is dat die bloed aan hun handen hadden.

Nee, Johan Cruijff was sui generis. In die zin was hij deel van het probleem dat Nederland heet, een maatschappij die zichzelf de maat der dingen vindt en het normale andere op de keper als abnormaal beschouwt.