Column

Ik smelt voor iemands kat. Niet voor die foto

Glunderende kunst. ‘Zie de mens. 100 jaar. 100 gezichten’. Alice Neel. Martin Parr. Klara Lidén.

Ik zal de enige niet zijn: op een holletje ga ik door de expositie ‘Zie de mens. 100 jaar. 100 gezichten’ in De Fundatie in Zwolle. Honderd jaar portretten, te beginnen in 1916, maar goed kijken komt straks wel. Eerst zoek ik mijn eigen jaartal op. Het blijkt een portret te zijn van een jonge man. Zachtmoedig staart hij me aan. Alleen wie jong is, kijkt nog zo, daarna speel je het niet meer klaar. Dan heb je geleerd dat de directe blik alleen van kinderen wordt gepikt. Ik vind het prachtig. Op het bordje ernaast lees ik „1955. Alice Neel: Julian Brody”. Ik had nog nooit van Alice Neel gehoord, maar via dit ene portret houd ik meteen van haar werk.

Ik kijk om me heen. Zie schilderijen van Asger Jorn, Francis Bacon, Lucebert, Otto Dix. Wat een adem. Wat een drift. Wat een ruimte en kleur. „Ik vind dit geloof ik de mooiste zaal”, zeg ik tegen Hans den Hartog Jager, die de tentoonstelling creëerde. „Het mooie is dat iederéén dat heeft”, glundert hij. „Blijkbaar voel je je thuis bij je eigen tijd.” Den Hartog Jager kan trouwens heel goed glunderen, deze hele tentoonstelling is ervan doordrenkt.

Portretkunst is de kunst van deze tijd. Iedereen loopt ze de hele tijd overal te maken. Portretten van eten. Van dieren. Van mensen. Van zichzelf. En vaak hartstikke mooi, dankzij de smartphone kunnen we het allemaal. Iedereen is fotograaf.

Maar nee. Dat iedereen kan wat een fotograaf kan, is nog nooit zo niet waar geweest. Ja, er worden aan de lopende band foto’s gemaakt, maar och, wat zeggen ze weinig. Die baby is schattig, die dikke kat ook. Mooie foto! app ik. Mooi? Ik bedoel iets anders. Ik smelt voor iemands kat en iemands kleinkind. Voor iemand die ik ken, dus. Niet voor iemands foto.

In een Weens museum zag ik het werk van Martin Parr. Hij maakt portretten die iedereen maakt. IJs, patat, zonnebrand. Vrolijk? Ja. En ijselijk. Hij brengt met zijn foto’s de Britsheid in kaart – op een manier die John Cleese ooit zo geweldig definieerde, in de film A Fish Called Wanda: „Why are we so dead?”

Een werkelijk goed portret wordt niet geprezen omdat het ‘lijkt’. Het vraagt meer en dat meer heet eeuwigheid. De schilder, beeldhouwer, fotograaf doet een greep naar wat zijn onderwerp binnenboord wil houden. Of krabbelt aan een mysterie waar de geportretteerde zich zelf niet eens van bewust is. De kunstenaar zoekt in elk werk ook zichzelf. Die zal laten doorschemeren wat hij of zij bij het maken dacht. Voelde. Vreesde.

Julian Brody was de zoon van de minnaar van Alice Neel. Gezellige petite histoire, maar dat is niet wat dit portret spannend maakt. Wat wel? De tere kleuren. De nadruk op die ogen, te groot voor de smalle schouders. Of dit portret ‘lijkt’ doet er allang niet meer toe. Wel dat het treurt over de grens tussen jeugd en volwassenheid.

Het moeilijkste portret is het zelfportret. Dat vraagt om een eerlijkheid waar al die glimlach- selfies een puntje aan kunnen zuigen en het zal bovendien iets moeten zeggen over wat dat is, kunstenaar zijn. In een van de laatste zalen in Zwolle zie ik er een grenzeloos staaltje van: de video van de Zweedse wildebras Klara Lidén. Ze liet zich filmen terwijl ze onbeholpen een metrowagon op stelten zet. Dit is Klara Lidén. Dit is het gezicht van de kunstenaar die serieus lol trapt, tot ze erbij neervalt.