Het raadsel van het kleine pinguïnei is opgelost

ISTOCK

Bij kuifpinguïns hebben eerstgeborenen pech. Het eerste ei dat een vrouwtje legt is klein en onderontwikkeld. Na een paar dagen wippen de ouders dit eitje uit het nest. Vlak daarna legt het vrouwtje een tweede, groter ei. Het echte ei. Dit tweede ei is soms wel 2,5 keer zo groot als het eerste ei en wordt wél geduldig uitgebroed.

Het kleine voor-ei van de kuifpinguïn was lang een raadel. Waarom zou een vogel een ei leggen zonder het uit te broeden? Woensdag schrijven twee Canadese biologen in Proceedings of the Royal Society: het ligt aan de lange wintertrek.

Kuifpinguïns zijn kleine pinguïns van het geslacht Eudyptes. Ze hebben een woeste, gele kuif en bloedrode ogen. Alle kuifpinguïns leven op eilanden binnen de zuidpoolcirkel, in grote broedkolonies.

In de donkere wintermaanden trekken kuifpinguïns naar zee. Daar dobberen ze maandenlang, duikend naar krill. Als het broedseizoen aanbreekt, haasten kuifpinguïns zich terug naar de broedkolonie. Ze zwemmen 72 kilometer per dag.

En dan gaat het dus mis. Na terugkomst in de kolonie leggen pinguïns zo snel een ei, dat de eierdooier nog niet volledig ontwikkeld is. Het eerste ei is in feite een halfrijp ei. Blijkbaar komt die dooierrijping onvoldoende op gang bij de trek.

De Canadese biologen komen tot die conclusie nadat ze het leg- en trekgedrag van kuifpinguïns met andere soorten vergeleken hebben. Daaruit bleek dat kuifpinguïns van alle pinguïns het snelst een ei leggen na terugkeer van de wintertrek. Een andere aanwijzing is dat de vrouwtjes die het snelst na aankomst een ei leggen, ook de eieren met het minste eigeel leggen.

Het halfwasse voor-ei is evolutionair te vergelijken met de blinde darm van de mens: hij wordt wel aangelegd, maar dient eigenlijk nergens voor. Misschien dat door selectiedruk en genetische ontwikkeling de kuifpinguïns ooit hun eerste ei weg zullen laten. Het kán wel: de keizerspinguïn en koningspinguïn leggen ook maar één ei.