Opinie

Geef slachtoffers Nederlands-Indië een stem

Opinie Er is één doorslaggevend argument voor een definitief, allesomvattend onderzoek naar ons Indonesiëverleden: de slachtoffers. Zij verdienen een stem, stelt Martin Witteveen.

Het boek van Rémy Limpach over het militair optreden van Nederland in de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië is eindelijk gepubliceerd. Zijn conclusie is dat het geweld geen incidenten en excessen waren maar structureel en van hogerhand aangestuurd.

De ministers Koenders en Hennis beraden zich op een reactie en daarbij is een definitief en allesomvattend onderzoek naar dat geweld niet uitgesloten. Anderen, zoals advocaat Liesbeth Zegveld, vinden nader onderzoek eigenlijk niet meer nodig en bepleiten dat Nederland eindelijk schadevergoedingen gaat betalen.

Er is één doorslaggevend argument voor een definitief, allesomvattend onderzoek naar ons Indonesiëverleden: de slachtoffers. De slachtoffers zijn tot dusver niet of onvoldoende aan het woord gekomen. Hoezeer historisch onderzoek ook duidelijkheid heeft gegeven over het optreden van het Nederlandse leger, als er sprake is geweest van misdrijven, dan kan geen enkel onderzoek zonder het verhaal van de slachtoffers, ook al zijn dat er weinig.

Drie jaar was ik teamleider van het onderzoek in Oeganda van het Internationaal Strafhof. Ik ben vijf jaar onderzoeksrechter geweest in de rechtbank in Den Haag voor internationale misdrijven. In die jaren heb ik, onder andere, honderden getuigen gehoord in Noord-Oeganda, in zaken van genocide in Rwanda, de oorlog tussen de overheid en de Tamils in Sri Lanka en die in Afghanistan. Ik zal nooit de dankbaarheid vergeten die veel slachtoffers hadden voor het feit dat ze hun verhaal mochten doen. Altijd werd er over hen gesproken of geoordeeld, maar meestal werd hun getuigenis zelf niet gehoord. Sommigen spraken hun verbazing er over uit dat een Nederlandse rechter helemaal naar hun land was gekomen om hen vragen te stellen. Anderen hadden hun beste kleren aangetrokken voor het verhoor.

Gehoord te worden en een stem te krijgen was een van de bijzonderste momenten uit hun leven.

Op basis van deze praktijkervaringen, ondersteund door onderzoek, weten we dat het slachtoffers meestal niet te doen is om de bestraffing van de daders, maar de erkenning dat misdaden zijn gepleegd. Ze willen dat de waarheid op tafel komt en de onderste steen boven. Over die waarheid willen ze vertellen. En slachtoffers kunnen boos worden als de misdaden, waarvan zij slachtoffer zijn geworden, niet worden meegenomen in een onderzoek. Dat gebeurde ons bijvoorbeeld in Noord-Oeganda, toen we besloten slechts zes incidenten te onderzoeken vanwege gebrek aan capaciteit.

Een allesomvattend onderzoek, waarin de slachtoffers worden gehoord, is ook nodig om vast te stellen wie recht heeft op eventuele schadevergoeding en hoe die er uit zou moeten zien. Schadevergoeding is waarschijnlijk de enige genoegdoening, die slachtoffers in Indonesië geboden kan worden. Schadevergoeding is een blijk van erkenning tegenover slachtoffers, waarvan het belang niet kan worden overschat.

Het spreekt voor zich dat Nederland geen blanco cheque kan uitschrijven voor wat in Indonesië is gebeurd. Alleen een gedetailleerd onderzoek, mede gericht op de rol van slachtoffers, kan een basis zijn om na te denken over eventuele compensatie.

Ten slotte is een volledig onderzoek ook nodig met het oog op de daders. Aangenomen wordt dat vele Nederlandse soldaten misdrijven hebben gepleegd. Een onderzoek hoeft niet gericht te zijn op een eventuele vervolging, die door tijdsverloop niet realistisch meer is.

Desondanks is het voor de waarheidsvinding van cruciaal belang om vast te stellen welke individuele militairen of civiele leiders misdrijven pleegden of mogelijk maakten, wie van hen de meeste verantwoordelijkheid droegen, hoe het kon gebeuren en waarom met name soldaten in lagere rangen zich niet aan dat geweld konden onttrekken.

Onderzoek is vooral ook nodig om vast te stellen wie zich niet aan misdrijven en ander geweld tegen burgers heeft schuldig gemaakt. Nog levende Indiëgangers zullen zich wellicht verdachte voelen of in de hoek gezet. Hun kinderen en ook de kinderen van overleden Indiëgangers zullen zich afvragen of hun vader een oorlogsmisdadiger is. Terwijl de meeste Nederlandse soldaten geen enkele blaam treft. Ook dat moet worden vastgesteld. Daar hebben de Indiëveteranen en hun kinderen recht op.

Hier is de uitdaging: de beschuldiging van oorlogsmisdrijven ligt als nooit te voren op tafel. Maar de vaststelling of er oorlogsmisdrijven zijn gepleegd en of Nederlandse militairen en civiele leiders strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, is juridisch ongelooflijk complex. Alleen een onderzoek dat alle aspecten van de oorlog omvat, in de juiste context plaatst en afzet tegen de juridische wetten en normen die toen golden, kan een basis vormen voor die vaststelling.

Zonder iets af te willen doen aan Limpachs fenomenale werk, het tegelijkertijd zijn van historisch onderzoeker, aanklager en rechter heeft zo zijn grenzen en Limpach erkent dit in zijn studie.

Daarom is het te hopen dat Limpachs historische oordeel niet het laatste is waarmee Nederland zijn geschiedenis in Indonesië afsluit. President Joko Widodo’s opmerkingen dat hij geen behoefte heeft aan onderzoek mag Nederland daarbij niet in de weg staan.

Een laatste, allesomvattend, onderzoek naar het optreden van Nederland in Indonesië ligt dus in de rede – maar alleen als het een gezicht geeft aan zowel slachtoffers als daders.