Column

De president is ook kunstenaar

De vorige president George W. Bush is hard op weg om meer schilderijen op zijn naam te zetten dan Eisenhower. De reacties op zijn soldatenportretten zijn fel. Bush zou zijn ‘erfenis willen overschilderen’.

©

De vorige president van Amerika heeft een stevige kwaststreek. En als een ferme streek eenmaal op het doek staat, schaaft hij weinig meer bij.

Dat kan een verklaring bieden voor de enorme productiviteit die George W. Bush aan de dag legt. De 43ste president is zelfs hard op weg om meer schilderijen op zijn naam te zetten dan nummer 34, Dwight D. Eisenhower. Die schilderde er zo’n 250, veelal landschappen en boerderijgezichten.

Bush is daar al bijna. Onlangs exposeerde hij 24 portretten van wereldleiders. Binnenkort verschijnt een boek met 66 portretten van soldaten en veteranen die hij, als president en ‘commander-in-chief’, de oorlog in heeft gestuurd. Tegelijk kent de wereld enkele van zijn zelfportretten, onthuld door een hacker, plus vijftig schilderijen van honden.

De reacties uit de kunstwereld op die eerste gehackte foto’s waren overigens mild. Een gezaghebbende kunstcriticus als Jerry Saltz prees zelfs de zelfportretten. Op eentje zit Bush in bad, met openstaande kraan. Op de ander staat hij onder de douche naar zichzelf te kijken in een spiegel. Saltz en andere critici vermoedden dat Bush met het stromende water en de spiegel iets wilde zeggen over zijn belaste geweten: schoonwassen, in de spiegel kunnen kijken…

Het enthousiasme verdween toen Bush de wereldleidersportretten exposeerde. Begrijpelijk, fascinerend waren de portretten allesbehalve. Tegelijk waren niet alle verwijten even fair. Neem: Bush haalt de plaatjes ‘gewoon van google’. Right. Gevierde kunstenaars als Luc Tuymans en Marlene Dumas doen dat ook.

Nu, met de aankondiging van de soldatenportretten, reageert de kunstwereld helemaal fel. De man wil „zijn erfenis overschilderen”, heet het. Waarom schildert hij zichzelf niet op dat vliegdekschip met de banier ‘mission accomplished’? Bush, luidt de kritiek, wil het eigen geweten sussen door weg te kijken. Schilderen is afleiding voor hem, geen middel tot zelfreflectie, of waarheidsvinding. En dus is hij niet serieus te nemen als kunstenaar.

De vraag is of hij dat zelf doet. Hij noemt schilderen een hobby. Ook in dat opzicht treedt hij in de voetsporen van nummer 34. Een columnist van The Washington Post, Richard Cohen, beschreef eens hoe hij in 1967 op een expositie van Eisenhowers werk door de ex-president werd rondgeleid. Toen ze voor een schilderij van een boerderij stonden, met een schuur en een paar koeien, vroeg hij: „En, mijnheer de president, wat is de symboliek hiervan?” Eisenhower draaide zich naar hem toe en zei: „Laten we één ding even heel duidelijk maken, Cohen. Ze hadden deze shit natuurlijk allang verbrand als ik geen president was geweest.” Einde antwoord. Je zou denken dat zo’n zin er bij Bush ook wel in zit.

Pieter van Os schrijft over gekrakeel in de kunst.