Column

De middelgrote instellingen zijn dit keer de dupe

‘Het zou mooi zijn als jullie enige aandacht aan ons kunnen besteden.” Of: „De slachtoffers van de harde bezuinigingsoperatie van kabinet Rutte 1 komen er nu echt aan. Moet je daar niet een artikel aan wijden?”

In deze periode tussen Prinsjesdag en de behandeling van de cultuurbegroting in de Tweede Kamer krijg ik voortdurend dergelijke verzoeken. Vooral omdat er nu geen kleintjes dreigen om te vallen, zoals in de voorbije jaren, maar middelgrote instellingen van naam en faam. Wat zich aftekent: er is too big to fail, ook in de cultuursector. Echte kleintjes overleven, omdat ze altijd al bestonden van liefdewerk oud papier. Daartussen zitten de instellingen die in de problemen raken.

Is het zo erg als middelgrote musea of gezelschappen omvallen? Dat is even simpel als denken dat een bedrijfsleven dat bestaat uit multinationals als Shell, Ahold, ING en Philips, en wat sexy startups voldoende is voor een levendig economisch klimaat.

Maar laten we eerlijk zijn. Het grote publiek gaan net zo min trouw naar die middelgrote gezelschappen of musea als voetballiefhebbers de stadions van de middenmoot van de eredivisie bevolken. Wij als pers schrijven incidenteel over ze, op radio en televisie komen ze niet aan bod. Ze zorgen niet voor de hoge lees- of kijkcijfers die voor media net zo belangrijk zijn als bezoekcijfers voor culturele instellingen.

Bekommernis is er dan soms alleen in de eigen vestigingsplaats. En zelfs dan: maakt men zich in Enschede net zo druk om de financiële nood bij het Orkest van het Oosten als bij FC Twente? Wie ligt er wakker als Korzo in Den Haag zijn talentontwikkelingsactiviteiten loslaat, behalve dansgezelschappen, choreografen en dansers? Wie om Noorderlicht in Groningen, behalve degenen die fotografie als kunststroming een warm hart toedragen?

De beoordelingscommissies van de Raad voor Cultuur, cultuurfondsen of plaatselijke kunstraden doen dat ook al niet meer. Zij kunnen, willen of mogen de grootste clubs niet afvallen. Ze willen vernieuwing en dus jonge, nieuwe instellingen een kans geven. Het draagvlak voor de middelgrote clubs lijkt te laat georganiseerd.

Ook ik ga niet van harte in op die verzoeken om op te schrijven waarom die ene club echt moet overleven. Want wie wil daarover lezen behalve die trouwe schare volgelingen? Zo stel ook ik mijn bellers teleur.

is cultuurverslaggever