Recensie

Jeroen

CULRoosmalen 1

Sinds drie jaar deelden we een kantoorruimte. Ik en drie fotografen, later kwam er ook nog een vormgever bij. Mijn bureau stond tegen dat van Jeroen Oerlemans. Hij was er vaker dan ik; het is een misverstand te denken dat oorlogsfotografen altijd aan een front te vinden zijn, er moet namelijk ook geld verdiend worden.

Over zijn ontvoering in Syrië hadden we het nooit. Wel over slecht betalende opdrachtgevers, de fuckers van de Belastingdienst, hoeveel pakjes Gauloises Blauw hij vroeger rookte, zijn afkeer van groen laminaat en fruitvliegjes en over de herkomst van het doosje rottende garnalen in de gemeenschappelijke koelkast.

Toen mijn dochter geboren werd gaf hij me een luiertas.

„Welkom bij de club”, zei hij, „jou gaan we nog heel veel zien op kantoor”.

Hij was met drie kleine kinderen ervaringsdeskundige, ik trof hem soms slapend achter zijn computer.

Op de dag voor hij naar Sirte vertrok was Jeroen op kantoor om er foto’s op te hangen zodat de boel een wat levendigere indruk maakte op potentiële huurders, want ik had de huur opgezegd.

„Niet te veel oorlogsfoto’s”, zei ik nog.

„Zie ik je nog?” vroeg hij.

„Vast wel”, zei ik, want ik achtte de kans dat er binnen een week een vervanger voor mij zou worden gevonden niet erg groot. Ik vroeg of ik tijdens zijn afwezigheid zijn bureaustoel mocht gebruiken, de mijne kon niet meer omhoog of omlaag.

„Wel weer terugzetten”, zei hij.

Zondagavond zag ik zijn foto voorbijkomen in het NOS Journaal. Doodgeschoten door een sluipschutter van Islamitische Staat in de Libische stad Sirte. Ik zag zijn foto’s opeens op de voorpagina’s van bijna alle kranten en las in stukken hoe goed hij eigenlijk was en hoeveel pech hij had gehad.

Ik sprak een kantoorgenoot die het nieuws had gehoord terwijl hij op een bestelling wachtte in een snackbar. Hart van Nederland had gebeld.

„Dat nooit”, had hij namens iedereen gezegd. Niemand had zin om zichzelf ’s avonds tussen het dierennieuws en een uitslaande brand met een bedrukt gezicht terug te zien.

Er werd daar ook niet meer gewerkt.

Opeens hoorden ze allemaal een zacht zoemend geluid: Jeroens’ computer stond nog aan. Ze hadden bosjes bloemen gekocht en die in twee vazen op het bureau tegenover het mijne gezet. Zijn bureaustoel stond gelukkig weer op zijn plaats. Niemand kon zich concentreren, ze zaten de hele tijd naar die foto’s aan de muur te loeren.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.