‘Het vak is veel gevaarlijker geworden’

Jeroen Oerlemans werd zondag doodgeschoten in de Libische stad Sirte, door een sluipschutter van IS. Iets meer dan drie weken eerder, vlak voor hij naar Libië vertrok, interviewde Pien van der Hoeven de fotograaf voor een project over oorlogsjournalistiek. Ze spraken drie uur lang, onder meer over zijn ontvoering in 2012 en het gevaar van zijn werk. „Toch heb je ook een gevoel van: mij zal niets overkomen.”

Foto Roger Cremers

„Ik wil met mijn foto’s weergeven wat er in de wereld staat te gebeuren. Getuige zijn van the making of history – meer in een registrerende dan in een activistische vorm. Ik was bijvoorbeeld op reportage in Oekraïne nog voordat de Krim werd geannexeerd. Ik ging naar Cuba toen het erop leek dat Fidel Castro zou sterven.

Ik heb een intrinsieke belangstelling voor wat er in de wereld gebeurt. Vandaar dat ik politicologie ben gaan studeren. Toen dacht ik er al aan schrijvend journalist te worden. Na mijn studie liep ik stage bij de Verenigde Naties in New York, maar het diplomatieke werk beviel me niet en ik kwam weer terug bij de journalistiek. Omdat ik ook altijd gericht ben geweest op beeld, ben ik toen een eenjarige postgraduate opleiding fotojournalistiek in Londen gaan doen. Ik wilde fotograferen in de traditie van Henri Cartier-Bresson en James Nachtwey.

Voor mij is oorlogsfotografie maar een deel van mijn leven – en zeker niet het grootste deel. Ik heb een gezin met drie kinderen en een vrouw die een drukke baan heeft als advocaat straf- en asielrecht. En ik ben als freelancer genoodzaakt om ook andere klussen als fotograaf te doen, zoals portretfotografie, om genoeg te verdienen. Ik zou alleen in vaste dienst willen zijn als ik me daardoor volledig aan conflictfotografie kon wijden.

Maar ik heb geen hoge verwachtingen over wat fotografie vermag; er zijn maar weinig foto’s die leiden tot verandering.

Ik denk dat vooral de beginnend oorlogsjournalist het doet vanwege het verlangen om te reizen en de zucht naar avontuur. Als je het werk eenmaal doet, komt daar vanzelf de verantwoordelijkheid bij om het goed te doen.

Ik draag geen wapen bij me. Dat is een ethische grens voor mij als fotograaf. Er zijn journalisten die wel de wapens hebben opgepakt. Ik heb bijvoorbeeld een keer een journalist van Reuters iemand met een granaat zien bedreigen.”

De ontvoering

„Ik leerde John Cantlie kennen in Libië, toen Gaddafi werd afgezet in 2011. We trokken daar met elkaar op en besloten ook samen naar Syrië te gaan. Toen we in juli 2012 bij de Turks-Syrische grens kwamen, bleek onze fixer zijn neef te hebben gestuurd. Onder diens leiding zijn we vlak over de grens per ongeluk een jihadi-kamp in gelopen en gevangen genomen. Het verzet tegen Assad was in 2012 nog een lappendeken van verschillende splintergroeperingen, die later gedeeltelijk zijn opgegaan in IS. De groepering die ons ontvoerde, was een samenraapsel van internationale jihadi’s, afkomstig uit Engeland, Frankrijk. Er was ook een Deen.

We waren het grootste gedeelte van de tijd geblinddoekt en konden hen dus niet zien. Ik herinner me een moment dat de wapens werden doorgeladen. De eerste dag maakten we ons nog niet zo’n zorgen, omdat ze ons aanzagen voor CIA-agenten en wij dus dachten dat we vrij zouden worden gelaten zodra duidelijk werd dat we journalisten waren. We informeerden het publiek tenslotte over hun strijd tegen Assad, en in die zin stonden we aan hun kant.

We sliepen op de grond in een tent en deden die nacht lichte hazenslaapjes. De tweede dag werden we naar een andere tent verplaatst, waar we vastgeketend werden aan Syrische krijgsgevangenen die geëxecuteerd zouden worden. Vanaf dat moment zag het er veel grimmiger voor ons uit. We besloten een vluchtpoging te wagen, omdat we redeneerden dat we dan tenminste nog een kans hadden het te overleven. Toen in ons blikveld niemand te zien was, begonnen we te rennen. Maar een deel van het terrein konden we vanuit onze tent niet overzien en vanaf die kant werden we na vijftig meter onder een regen van Kalasjnikov-kogels bedolven. John werd geraakt in zijn arm, ik in mijn heup. We werden weer teruggesleurd.”

‘Ik denk aan hem bij het hardlopen’

„Onze schotwonden werden verzorgd door de kamparts. Hij sprak Engels, net als een paar andere strijders. We probeerden zoveel mogelijk met hen in gesprek te komen, om een band te laten ontstaan waardoor zij zich voor ons verantwoordelijk zouden gaan voelen. Dat is, denk ik, in het geval van de kamparts ook gebeurd. Hij bepleitte onze zaak bij de kampcommandant.

Ik heb naderhand contact met hem gehad. Hij beweert degene te zijn geweest die het Vrije Syrische Leger heeft getipt, dat ons na een week kwam bevrijden op een moment dat er weinig strijders in het kamp aanwezig waren. De bevrijding ging razendsnel. De mannen van het Vrije Syrische Leger hielden onze bewakers onder schot en korte tijd later stonden we weer in Turkije.

Na de bevrijding was mijn eerste gedachte: ‘Ik ga weer terug.’ Maar op dat moment kon dat niet, want mijn apparatuur was ingenomen door de strijders. En toen Cantlie dat najaar van 2012 vroeg of ik mee terugging, was mijn heupwond nog niet goed genezen en heb ik het afgehouden. Daar ben ik achteraf gezien natuurlijk zielsblij om. Cantlie werd na mijn terugkeer wederom ontvoerd, ditmaal samen met James Foley, die twee jaar later het slachtoffer werd van een op video vastgelegde onthoofding. Cantlie zit nog steeds gevangen.

Ik heb het gevoel dat ik een tweede kans heb gekregen. Ik denk vaak aan hem, meestal als ik aan het hardlopen ben. Dan voel ik verdriet, maar ook een intens gevoel van dankbaarheid omdat ik leef en vrij ben.”

Risico’s

„Natuurlijk weet je met dit werk dat je slachtoffers gaat zien en houd je rekening met de risico’s voor je eigen veiligheid. Toch heb je ook een gevoel van ‘mij zal niets overkomen’. Als je dat niet hebt, is dit werk niet te doen.

Hoe goed je het ook voorbereidt, je komt altijd weer voor verrassingen te staan. En dat geldt net zo goed voor Engelstaligen. Je moet ter plekke toch vaak improviseren. Toen ik met Joeri Boom in 2005 naar Kandahar ging om onafhankelijk van het leger een reis te maken, hebben we uiteindelijk rechtsomkeert gemaakt, omdat we ter plekke constateerden dat het te onveilig was om onafhankelijk te reizen.

Ik ben door mijn ervaringen niet anders naar het leven gaan kijken. Ik heb het vertrouwen in de mens niet verloren. Onder de jongens die ons gevangen hielden, waren veel drugsdealers en andere kleine criminelen met een vrij uitzichtloos bestaan, die hun leven met de jihad een positieve wending wilden geven.

Ik heb er nooit zo over nagedacht, maar ik denk dat het uitzoeken en sorteren van mijn foto’s ook een therapeutische werking heeft. Het sorteren van je belevenissen is ook een manier om ze te verwerken.”

Niet kies

„Een van de keren dat ik het meest nadrukkelijk werd geconfronteerd met menselijk lijden, was in een vluchtelingenkamp in Tsjaad in 2005. Ik ging mee in een taxi met ouders die hun ondervoede baby naar het ziekenhuis wilden brengen. De baby stierf onderweg in de auto.

Ik ben toen gestopt met fotograferen. Ik vond het niet kies om een foto te maken van de gestorven baby, ook doordat ik het gevoel had dat de vader dat niet wilde. Andere fotografen hadden die foto wel genomen en ik denk achteraf dat ik dat ook had moeten doen. Want dat was toch de reden dat ik in die auto was gestapt.”

Doelwit geworden

„Het vak van oorlogsjournalist is veel gevaarlijker geworden. Vroeger had je als journalist een bijzondere status; je stond boven de partijen. Ik kon me erover verbazen, aan het begin van de Irak-oorlog: dat ik daar kon lopen als blanke westerling, terwijl er om me heen geplunderd werd, en dat men zich niet aan mij vergreep. Maar die bijzondere status hebben we verloren, ook vanwege de voor de Iraakse en Syrische bevolking teleurstellende ervaring dat ondanks onze nieuwsgaring de humanitaire situatie niet is verbeterd. We worden nu als partij gezien en zijn doelwit geworden.

Mijn vriendin wil me mijn werk niet ontzeggen. Ze ziet dat het bij me hoort en moedigt me zelfs aan. Maar als je een gezin hebt, kun je met dit werk niet tot het gaatje gaan. Dat zou ik ook niet willen, zo monomaan ben ik niet.

Het ene moment kan ik aan het werk zijn in Afghanistan en het volgende kan ik hier in de supermarkt staan; daar heb ik geen moeite mee. Misschien ben ik daarvoor ook gewoon niet vaak genoeg van huis.

Ik maak ongeveer één keer per drie maanden een reis voor mijn werk. Het dagelijkse leven hier in Nederland vormt een grotere component van mijn bestaan. Ik zou soms wel meer weg willen, maar wil niet het hele jaar on the road zijn. Dan blijft er niks over om voor terug te keren.”