Recensie

Emotie tussen de cactusstekels

Cees Nooteboom

In zijn ‘dagenboek’ laat Cees Nooteboom zijn verbeelding los op de wereld om hem heen. Dat levert vermakelijke anekdotes en ontroerende ontboezemingen op.

Cees Nootebooms 533 kreeg in Nederland de wat onbestemde ondertitel ‘Een dagenboek’ mee, maar in de Duitse vertaling staat op die plek de aanduiding ‘Berichte von der Insel’. Misschien loont het om de Nederlandse lezer een beetje in het ongewisse te laten; feit is wel dat dat eilanderige de lading een stuk beter dekt. Je associeert eilanden met rust en afstand, met nadenken over de beslommeringen op het vasteland, met tijd voor kleine observaties en ontdekkingen, met een blik op een nachtelijke hemel wellicht – en dat is precies wat Nooteboom in 533 allemaal doet.

Hoe verder je in het boek geraakt, hoe meer het je op gaat vallen dat hij óf ontzettend inzoomt óf erg abstraherend te werk gaat. Hij schrijft over de stekels op de cactussen in zijn tuin op Menorca en hij schrijft over de onbevattelijke grootte van het universum, maar voor alles ertussen, laten we zeggen het gewone dagelijkse menselijke verkeer en dergelijke, the stuff where Dutch literature is usually made of, daar maakt hij veel minder woorden aan vuil.

De hemel die misschien een hel is

Een uitzondering is zijn behandeling van een schrijverscongres in Edinburgh in 1962. Bij een beetje lezer gaat dan natuurlijk onmiddellijk een belletje rinkelen, aangezien dit het roemruchte schrijverscongres was waar Gerard Reve in Op weg naar het einde zo verrukkelijk verslag van deed, onder meer door Nooteboom ‘het zieke aapje N.’ te noemen, ‘wiens enige contacten met de schepping spijs en drank schijnen te zijn’. Al een halve eeuw is dit een dodelijk en veel geciteerd portret, maar Nooteboom doet er nu met een éígen congresverslag wel een flatterende lijst omheen. Terwijl ‘Harry (Mulisch, red.) door een menigte sneed met die neus als een scheg-beeld’, stond Nooteboom zelf er wat verloren bij. Zo goed als geen mens kende of laat staan las hem. ‘Ik voelde me zoals een van die onnozele kinderen in het voorgeborchte,’ schrijft hij, ‘nog niet gezondigd, wachtend op de hemel die misschien wel een hel is.’ Je ziet opeens een zenuwachtige jongen voor je van nog geen dertig jaar oud. Ik zou van de spanning óók alleen maar over het eten en drinken durven praten.

Het is een intieme, emotionerende ontboezeming in een boek dat verder dus juist een wat losgezongen sfeer ademt. Dit heeft alles met Nootebooms verbeelding te maken, die hij onbekommerd loslaat op de vormen of het gedrag van planten of diertjes en op zoiets als de Voyager 1, de onbemande ruimtesonde die eind jaren zeventig de ruimte in geschoten werd en daar nog steeds verblijft. En omdat de techniek om het ding te bedienen inmiddels volkomen achterhaald is, moet ruimtevaartorganisatie NASA een beroep doen op de inmiddels bejaarde mensen die bij de lancering betrokken waren. De vergankelijkheid, toch al een prominent sentiment in 533, druipt natuurlijk van zo’n anekdote af.

533 is dus een ‘dagenboek’ wat op zoiets neerkomt als een dagboek zonder vaste data. Maar dat ‘dagen’ dekt misschien ook wel een andere lading, want regelmatig lees je een, wat ik voor het gemak maar even een ‘tastende’ Nooteboom (1933) zal noemen: hij beschikt vaak niet over de adequate kennis om een vraagstuk op te lossen, en soms laat zijn geheugen hem simpelweg in de steek als hij een bepaalde levenspassage op wil roepen. Maar er zijn gelukkig hulptroepen. Op de eerste plaats zijn er de door het klimaat geteisterde boeken, die hem al associërend aan nieuwe verhalen helpen. En er is altijd die verbeelding, waarmee hij zowel de dode letter als ogenschijnlijk dode materie nieuw leven in blaast.

Even geen wereldreizen meer

Dit is (even?) geen Nooteboom meer die de wereld bereist, die ooggetuige is van mondiale politieke verschuivingen. ‘Tot op welke leeftijd moet je je om de wereld bekommeren?’ vraagt hij zich in het boek af. En, even later: ‘Het is niet zo dat je de wereld niet gezien hebt en dat je niet naar tegenstrijdige meningen geluisterd hebt, misschien ben je soms wel eens partij geweest maar je weet niet meer of dat geholpen heeft, misschien heb je de wezenlijke mechanismes van het onheil nooit begrepen en wordt het tijd dat je verdwijnt in je tuin terwijl de rest onherroepelijk doorraast in de wereld als misverstand volgens wetten die, of je nu Thucydides leest of Ranke, Gibbon of Tony Judt, nooit schijnen te veranderen.’ ‘Misschien partij geweest’; ‘weet niet meer’; misschien nooit begrepen’; ‘wetten die nooit schijnen te veranderen’ – dit gaat nog wel een stapje verder dan de stelling dat ware kennis er in bestaat te weten dat men niets weet.