Museum kan niet zonder vrijwilligers

Vrijwilligers

Nederlandse musea overleven financieel door gebruik te maken van de diensten van tienduizenden vrijwilligers. „Zelfs een kerntaak als het beheer van de collectie wordt uit handen gegeven.”

Kunstwerk van Mitoraj Foto: Wim de Boer/Beelden aan Zee

17.325 zijn het er. Of twee keer zoveel, dat kan ook. Of drie keer. Want niemand weet precies hoeveel musea Nederland telt. En dus ook niet hoeveel duizenden vrijwilligers helpen om die open te houden.

Het getal 17.325 komt uit een onderzoek naar vrijwilligers dat vandaag, 6 oktober, verschijnt: Vrijwilligers: pijler onder de musea, uitgevoerd door het VSB Fonds en Erfgoed Gelderland. Het is een enquête onder de 637 musea die staan geregistreerd in het Nederlands Museumregister. Dat wil zeggen dat die musea beantwoorden aan een aantal normen over bedrijfsvoering en collectiebeheer. Van de 637 deden er 263 mee. Daar komt het getal 17.325 vandaan.

Dat het woord ‘pijler’ niet slecht is gekozen, lees je al meteen in deze zin in het onderzoek: „In ieder geval 31 procent van de respondenten is zelf vrijwilliger, omdat hij of zij aangeeft te werken in een museum met 0 fte aan betaalde medewerkers.” In zulke musea is dus iederéén vrijwilliger, tot en met de directeur aan toe.

Natuurlijk, dat zijn alleen de kleinere musea, waar menigeen zelden of nooit van heeft gehoord: Museum Noordwijk, Museum De Tien Malen, Museum Het Petershuis, Museum Staphorst, Historisch Museum Texel, Kerkmuseum Elst.

Maar wat te denken van deze musea? Paleis Het Loo: 217 vrijwilligers. Nationaal Militair Museum: 200 vrijwilligers. Aviodrome: 217.

Die musea stonden in de top 10 van musea met ‘200 vrijwilligers of meer’. Niet ver onder die top: Museum Beelden aan Zee (150), het Mauritshuis (160).

Alle musea hebben steeds meer vrijwilligers, vooral de grotere. En dan hebben die grotere musea ook nog eens een aanzuigende werking. Paleis Het Loo heeft een wachtlijst, „terwijl ze bij een klein museum in een dorp zitten te zweten, omdat ze niemand kunnen krijgen”, zegt Sjoerd Staal van het VSB Fonds. Van de deelnemende musea had 41 procent een vrijwilligerstekort.

Wat maakt dat een vrijwilliger zich wel of juist niet aanmeldt bij een museum? En wat is het werk dat hem (of haar) daar te wachten staat?

1. De pioniers

Lida Miltenburg (1922) is wat hardhorend, maar als je haar vraagt naar de begindagen van Museum Beelden aan Zee in Scheveningen geeft ze meteen antwoord: „Ze deden ontzettend moeilijk toen we zeiden dat we met vrijwilligers wilden werken. Arbeidsverdringing, noemden ze het.” Lida Miltenburg en haar man, Theo Scholten (1927-2005), stichtten Museum Beelden aan Zee in 1994, voor hun eigen verzameling beeldhouwkunst. Een particulier, niet gesubsidieerd museum moest het worden, in een tijd dat vrijwilligers in kunstmusea nog ongebruikelijk waren.

Hoe dat ging? Een vriendin ging werven, haar vriendinnen raadden weer andere vriendinnen aan, en als ze iemand niet goed genoeg kenden gingen ze er op bezoek, voor een screening-aan-huis. Iedereen die mocht komen, kreeg eerst een cursus kunstgeschiedenis van vijf maanden, elke week was er een avondlang college. Pas na die vijf maanden leerden ze de praktischer dingen: kassa, café. Ook Lida en Theo Scholten gaven de colleges kunstgeschiedenis, „het was een beetje een grote familie”. Toen het museum in 1994 opende waren er zo’n 70 vrijwilligers aan het werk. ‘Partners’ werden (en worden) ze genoemd: we doen het samen, wil dat zeggen.

Foto Gerrit Schreurs

Beelden aan zee. Foto Gerrit Schreurs

Twintig jaar later, in 2014, was dit wat Erna Staal aantrof toen ze zakelijk directeur werd van Museum Beelden aan Zee: zo’n 180 vrijwilligers, bijna allemaal vrouw, vrijwel allemaal boven de 60, een aantal van rond de 80. Van die oudsten waren veel al vanaf het begin bij het museum betrokken. En niet iedereen had werkervaring. Ja, wel als vrijwilliger, maar niet daarnaast of eerder in een baan. Sommigen hadden daardoor het digitale tijdperk zo goed als gemist, wat best lastig kon zijn als ze achter de kassa stonden. Of in de winkel of het café: die waren nu groter, en met meer aanbod dan twintig jaar eerder.

Uitzonderlijk? Nee: de meeste vrijwilligers in musea, staat ook in Vrijwilligers: pijler onder de musea, zijn 60 jaar of ouder: 87 procent. Veel van hen lopen er bovendien al lang rond, de helft „langer dan 8 jaar”. Het onderzoek is een keer eerder gehouden, in 2009, en toen was dat aantal lager (41 procent). „Dit is mogelijk verontrustend: vrijwilligers worden ouder en er lijkt weinig nieuwe aanwas van (jongere) vrijwilligers te zijn.”

2. De professionalisering

Wat kun je doen als je je vrijwilligers nodig hebt, en tegelijk ziet dat ze niet (meer) het visitekaartje van het museum zijn dat je wilt? Omdat, in de woorden van het onderzoek, „professionaliteit en kwaliteit de belangrijkste knelpunten in het vrijwilligersbeleid” zijn geworden sinds musea, en dan vooral de middelgrote en de grotere, de laatste jaren moderner en ondernemender zijn geworden?

Bij Beelden aan Zee kwam er om te beginnen een leeftijdsgrens: 75 jaar. Erna Staal: „Er was een overgangsregeling, maar inderdaad: het was verdrietig. Maar uiteindelijk doe je het ook ter bescherming van de mensen zelf. Het is wel zo gezond om van tevoren te weten dat iets niet eeuwig duurt.”

Ook voert het ‘hoofd vrijwilligers’, sinds 2013 een betaalde kracht, nu evaluatiegesprekken. De cursus kunstgeschiedenis van vijf maanden is afgeschaft. „Het kwam voor dat als iemand eenmaal achter de kassa stond, dat dan toch tegenviel – en dan haakte die persoon alsnog af”.

Nu is er een beperkte opleiding vooraf, met een kassatraining, en zijn er korte cursussen terwijl je al als vrijwilliger werkt: klantvriendelijkheid, cadeautjes inpakken, rondleidingen. Maar ook: collectiebeschrijving en conservering.

Ook dat valt op in Vrijwilligers: pijler onder de musea: vrijwilligers worden voor zo ongeveer alle taken ingezet: ontvangst, zaalwacht, rondleidingen, educatieve werkzaamheden, behoud en beheer van de collectie, financiën en administratie, communicatie en marketing.

Foto Gerrit Schreurs

Beelden aan zee. Foto Gerrit Schreurs

Sjoerd Staal van het VSB Fonds: „Tien of vijftien jaar geleden was vrijwilligerswerk: achter de kassa zitten, de mensen ontvangen en eens met een stofdoekje door de winkel gaan. Nu zie je dat zelfs een kerntaak als het beheer van de collectie uit handen wordt gegeven.” Het tekent, vindt hij, „de nood bij musea”.

Eerder dit jaar schreven de Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur al dat het aantal vaste banen in de cultuursector, waaronder die in musea, afneemt, terwijl het aantal vrijwilligers toeneemt: „Er zijn aanwijzingen dat vaste arbeidskrachten zo worden verdrongen.”

In de enquête zat geen vraag naar arbeidsverdringing. Waarom niet? Sjoerd Staal: „Omdat musea daar geen antwoord op kunnen geven. We wilden ze niet in de problemen brengen met die vraag.”

Zeker is dat van de traditionele vrijwilliger steeds meer wordt verwacht. Want ook al krijg je er niet voor betaald, je wordt behandeld als een werknemer. Had in 2009 nog 39 procent van de vrijwilligers bij musea een contract, nu is dat 70 procent. Er is ook steeds vaker een functieomschrijving (33 procent in 2009, 48 in 2016), inclusief regelmatige functioneringsgesprekken.

Maar professionalisering kan ook door vrijwilligers juist minder taken te geven. Dat deed het Mauritshuis, waar van oudsher alle rondleidingen werden gegeven door vrijwilligers. Na een verbouwing en de daarop volgende heropening van het museum, twee jaar geleden, doen vooral ingehuurde professionals dit, vaak leraren of kunsthistorici. Zakelijk directeur Victor Moussault: „Er zijn nog altijd vrijwilligers die rondleidingen verzorgen, maar die zijn nu speciaal opgeleid door onze afdeling educatie.”

Er staan ook geen vrijwilligers in de brasserie van het museum, die is uitbesteed aan een professionele organisatie: „Horeca is echt iets anders dan een museum.” Moussault is fervent voorstander van vrijwilligerswerk: „Ik doe het zelf ook, al heel lang, ik zorg voor ouderen, doe bestuursfuncties”. Tegelijk: „Een instituut als dat van ons hoort op een aantal zaken echt kwaliteit te leveren. Dus dan moet je kijken wat past, wat een vrijwilliger hier wel of beter niet kan doen.”

In het Mauritshuis staan vrijwilligers tegenwoordig vooral in de winkel, achter de informatiebalie en in de bibliotheek. Nieuwe vrijwilligers zijn jonger dan 75: ook hier is een leeftijdsgrens ingesteld.

Andere musea, zegt Sjoerd Staal, schaffen zo’n leeftijdgrens soms juist weer af. Anders krijgen ze namelijk helemáál geen vrijwilligers meer. Althans, de kleinere musea niet.

3. De toekomst

Toch moeten ook de grotere meer moeite doen. Erna Staal: „We merken dat het lastiger wordt om vrijwilligers te werven. Steeds meer musea maken gebruik van vrijwilligers en we vissen allemaal in dezelfde vijver.” Tot voor kort deed Museum Beelden aan Zee één werving per jaar, nu zijn het er een paar. „Laatst hebben we zelfs voor het eerst een advertentie in een huis-aan-huisblad gezet.”

En wat gebeurt er als je als museum voor het eerst ooit vrijwilligers werft? Komen er dan meer jongeren op af, bijvoorbeeld omdat ze weten dat er niet al jarenlang allemaal oudere vrijwilligers rondlopen?

Ja, zeggen ze bij het Rembrandthuis in Amsterdam, dat tot twee jaar geleden geen vrijwilligers had: dat leek niet nodig. Toen in 2014 een nieuwe directeur aantrad (Michael Huijser, intussen directeur van het Scheepvaartmuseum), constateerde die: als de beveiligers bij de ingang ook degenen zijn die het publiek ontvangen, dan doen we iets niet goed.

Het museum zette advertenties op de eigen site en op culturelevacatures.nl, waarin om specifieke kennis werd gevraagd: voor het ontvangen van de bezoekers, voor educatie, voor de bibliotheek, voor marketing. Het ging om zaken, zegt Michael Huijser, „waar het museum niet of onvoldoende aan toekwam, er was geen sprake van arbeidsverdringing: het waren mensen die er extra bijkwamen”.

Foto Gerrit Schreurs

Beelden aan zee. Foto Gerrit Schreurs

Voor de 25 plekken meldden zich vrouwen én mannen (Museum Beelden aan Zee en het Mauritshuis hebben vrijwel alleen vrouwelijke vrijwilligers), hun gemiddelde leeftijd is 45, en er zijn er ook al weer een aantal weg: die kwamen om werkervaring op te doen.

Hoe de toekomst eruit ziet? Ongeveer gelijktijdig met de bezuinigingen op cultuur en de toename van het aantal vrijwilligers in musea, kwam de participatiesamenleving op. Sinds 2012 mogen gemeenten mensen in de bijstand vragen een „onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteit” te verrichten. De Participatiewet (2015) verplicht gemeenten zelfs om die tegenprestatie wettelijk te regelen. Werklozen die weigeren, worden gekort op hun uitkering.

Wat nu, wordt intussen op menig gemeentehuis gedacht, als we deze twee ontwikkelingen combineren tot een win-winsituatie? Dus krijgen musea de vraag of ze niet vrijwilligers kunnen aanstellen die werkloos zijn of in de bijstand zitten. Sjoerd Staal: „Musea willen wel hoor, maar het kan lastig zijn. Buiten het gebrek aan mankracht dat ze hebben, vraag je nogal wat van een organisatie, als je wilt dat ze dit soort speciale gevallen gaan begeleiden. Bij een museum in het onderzoek stonden op een dag vijf vluchtelingen op de stoep. Wat doe je dan als culturele instelling?”