‘Agenten zitten met hun onderbuik vaker mis dan goed’

Etnisch profileren

Agenten willen ‘boeven vangen’. Vaak vertrouwen ze dan op hun intuïtie. Maar vooroordelen spelen daarbij een grote rol.

Archiefbeeld van een politiecontrole. Foto Koen van Weel / ANP

„Bij een Volkswagen Golf en een gast met een petje ben ik vaak wel alerter…” Aan het woord is een politieagent in Boeven vangen, een studie van het Programma Politie en Wetenschap die maandag is verschenen. „Tsja, profileren, we doen het wel. Ik weet niet of het slecht is. Er is vaak wel wat mee, maar dat mag je niet zeggen.”

Onafhankelijke onderzoekers volgden maandenlang vier verschillende politieteams in Nederland. In totaal keken ze zo’n 320 uur mee met agenten op straat. Hoe besluiten ze wie ze controleren? Hun conclusie: etnische profilering, burgers die vanwege hun afkomst worden staande gehouden, komt binnen de politie voor.

Etnische minderheden waren in de onderzoeksperiode ongeveer anderhalf keer meer vertegenwoordigd dan de meerderheid bij zogeheten ‘proactieve controles’, waarbij een agent op eigen initiatief besluit om iemand staande te houden – controles die achteraf lang niet altijd gerechtvaardigd bleken.

Dat het voorkomt is niet nieuw. Na de staandehouding in juni van rapper Typhoon, bijvoorbeeld, gaf de politietop al toe dat hier sprake was geweest van etnisch profileren en maakte excuses. Maar, zo was steeds de teneur: dit zijn betreurenswaardige incidenten. Toch is dat moeilijk vol te houden als je deze studie erop naslaat. Etnisch profileren, zo stellen de onderzoekers, wordt zelfs onbedoeld aangemoedigd door het veiligheids- en politiebeleid.

Controlecultuur

Het onderbuikgevoel – daar moet je als politieagent toch op kunnen vertrouwen? Het op intuïtie herkennen en in de kraag vatten van criminelen wordt door veel agenten gezien als het summum van politiewerk, de essentie van hun taak: ‘boeven vangen’. „De nadruk is steeds meer komen te liggen op opsporing”, zegt Wouter Landman, een van de auteurs van het onderzoek.

De onderzoekers spreken van een „controlecultuur”. De afgelopen jaren zijn in dat kader steeds meer instrumenten gecreëerd. Zo werd de Wet op de identificatieplicht verruimd, zodat agenten sneller tot identiteitscontrole kunnen overgaan, terwijl de zogeheten ‘Patseraanpak’ voorschreef dat agenten mensen in dure auto’s konden staande houden om te zien of het ging om rechtmatig verkregen bezit.

Etnisch profileren zou een onwenselijk bijeffect van dat soort proactieve controles zijn. Bij selecties op basis van vermoeden spelen vooroordelen en stereotypering al gauw een rol, en die zijn, voor een deel, etnisch geladen, bewust of onbewust.

Is proactief controleren dan wel een goede manier om ‘boeven te vangen’? Nee, schrijven de onderzoekers. Dat proactieve controles effectief zijn, is „een hardnekkig beeld” dat „losstaat van de praktijk”: agenten zitten „veel vaker mis dan goed”. Volgens het onderzoek is zo’n 70 procent van de burgers, van alle afkomsten, die aan een proactieve controle worden onderworpen „onschuldig”.

Foute lui

Agenten onderschatten de gevolgen van zo’n ongefundeerde controle – die treffen toch vooral „foute lui”? – terwijl die volgens de onderzoekers niet gering zijn. Ze tornen aan het vertrouwen dat burgers in de politie hebben, en daarmee aan de bereidheid om met de politie mee te werken.

Ruud Bik, plaatsvervangend korpschef van de politie, noemt het rapport telefonisch „goed en genuanceerd”. Toch bestrijdt hij de conclusie dat etnische profilering institutioneel is ingegeven. „Dat gaat onbewust en onbedoeld. Ik geloof niet dat er een causaal verband is tussen het beleid en etnische profilering.”