Wat we werkelijk zien als we een portret zien

marjoleinedevos0

In mijn kamer hangt een getekend portret van mijn vader. Elke keer als ik het zie ben ik verbluft hoe goed de tekenaar iets van het karakteristieke van zijn gezichtsuitdrukking heeft weten te treffen.Maar mijn vaders vrouw houdt niet van dat portret. Het lijkt niet vindt ze, nee, ze kan er niet goed naar kijken.

Ik keek naar een foto van de dochter van een vriendin. Wat lijkt ze op haar vader, zei ik. Dat vond de vriendin zelf ook. Maar anderen, zei ze, zagen dat weer niet zo.

Wat zien we eigenlijk als we naar afbeeldingen kijken?

Dat je over portretten kunt twisten, kun je begrijpen, daarin speelt ook mee wat je weet en vindt van iemand. Maar het beperkt zich niet tot portretten. Denk aan de schilderijen van Han van Meegeren: geoefende kunstkenners zagen zijn Emmaüsgangers met grote stelligheid aan voor een Johannes Vermeer.

Voor hedendaagse beschouwers is dat onbegrijpelijk. Dat kan moeilijk anders betekenen dan dat in die tijd, de jaren dertig, men Vermeer anders zag. En ook, dat men blind was voor wat typisch de stijl van de jaren dertig was – als je nu naar de Emmaüsgangers kijkt zie je zweempjes interbellum. Maar de eigen tijd wordt nu eenmaal als min of meer neutraal ervaren, dat is de bril waardoor we kijken.

Net zoals je je moeder oud vond toen ze veertig was en later als je een foto van haar ziet op die leeftijd denkt: wat was ze jong!

Al weer enige tijd geleden hoorde ik op de radio dirigent en violist Joan Berkhemer zeggen dat wij de klank van het Concertgebouworkest van voor de Tweede Wereldoorlog niet meer zouden kunnen begrijpen. De toenmalige dirigent van het orkest, Willem Mengelberg, stond dichter bij de uitvoeringspraktijk uit Beethovens tijd dan wij ooit zullen komen, zei Berkhemer. Op een of andere manier is dat een duizelingwekkend gegeven, al ligt het nog zo voor de hand: dat wij nooit zullen kunnen zien en horen (of proeven en ruiken) wat zij daar in het verleden ervoeren, zelfs niet als we ‘alles’ nog hebben: de muziek, de schilderijen, de ingrediënten, de foto’s.

En zoals uit die verschillende waarnemingen van portretten blijkt: we kunnen ook al niet ervaren wat degenen die nu leven, tegelijk met ons, ervaren. Wat we zien is op het angstaanjagende af individueel.

Ineens lijkt het solipsisme, de filosofische houding die veronderstelt dat alles slechts bestaat in de geest van de waarnemer, helemaal niet zo’n rare veronderstelling, en zelfs gewoon de waarheid. Het was de grote angst van de dichter J.A. Dèr Mouw, dat alles wat hij waarnam door zijn eigen bewustzijn geproduceerd werd: „de benauwende eenzaamheid van de bewustzijnscel, waarin het spookt, spookt van wereld- en ik-verschijnsel. De radelooze angst!” Dat vond ik altijd overdreven. Maar zo langzamerhand denk ik: alles wat ik zie, zie ik alleen, omdat het alleen door mijn brein zó gezien wordt. Vermoedelijk vindt Dick Swaab dat ook. Al gaat die wellicht niet zo ver als Dèr Mouw die veronderstelde dat er ook helemaal geen wereld bestond om waar te nemen. Waarop hij zich in de religie stortte en aan het Wereld-Zelf ging geloven dat alles is en alles voortbrengt, en waarin hij dus opgenomen was, zodat hij niet langer alleen zou zijn met de waanbeelden van zijn geest: „Nu weet ‘k weer, wat ik altijd al wist:/ Ja, ja, ja, ja: Ik ben het wereld-Zelf.”

Maar die sprong is niet gemakkelijk na te doen. Ook al is het nog zo’n verlossende gedachte.