Opinie

Waarom de mondhoeken zijn blijven hangen

De economie trekt aan, maar we blijven somberen. Dat komt omdat we de homogene cultuur van de jaren vijftig niet willen loslaten, meent hoogleraar wijsbegeerte Gabriël van den Brink.

Diverse kranten probeerden na Prinsjesdag antwoord te geven op de vraag waarom het economisch herstel het nationale humeur koud laat. De mondhoeken blijven hangen, zo wijzen peilingen uit. Dagblad Trouw stapte op tram 11 om van gewone Hagenezen de pijnpunten te horen. De Volkskrant verwees naar SCP-onderzoek waaruit blijkt dat omgangsvormen al jaren de lijst van nationale zorgen aanvoeren. En NRC tekende uit de mond van burgers op dat Nederlandse verworvenheden verloren gaan „omdat wij de problemen importeren”.

Het verlangen naar een zorgzame gemeenschap, waarin eenieder rekening houdt met het algemeen belang, laat zich – anders dan veel politici denken – niet makkelijk in economische termen vangen. Het gaat vooral om een zoektocht naar nationale identiteit. We willen weten wat ‘de’ Nederlander onderscheidt van andere volken. Dat is vooral een zekere directheid, een afkeer van gewichtigdoenerij, een neiging naar het gewone ook. Zelf vatten wij dit als verdienste op: het is niet voor niets dat wij eerlijkheid onze voornaamste deugd noemen. Anderen zullen ons een gebrek aan hoffelijkheid of zelfs botheid aanwrijven.

Sinds een aantal jaren zijn Nederlanders onzeker geworden over die waarden, ze betreuren dat de oude standaard niet door iedereen wordt gedeeld. Daar gaan de mondhoeken van hangen. Geen economisch herstel kan ze opvrolijken. Het verlangen naar gemeenschapszin is ten dele nostalgisch van aard. Verwijzingen naar de jaren vijftig, waarin we samen aan het wederopbouwen sloegen, zijn niet van de lucht. Dat gedroomde verleden, bepaalt veelal ons wensbeeld voor de toekomst. Een streven dat opduikt in wel meer landen waar populisme hoogtij viert. Talloze kiezers menen dat de nationale saamhorigheid wordt ondermijnd door globalisering. Zie het optreden van Donald Trump in het eerste debat met rivaal Hillary Clinton.

De wens tot meer saamhorigheid uit zich politiek in het ideaal van een homogene cultuur. Een paar vreemdelingen oké, zolang het er maar niet te veel worden. En al helemaal niet als ze een andere taal spreken of afwijkend gedrag vertonen. Zo bezien is nationale saamhorigheid niet op een linkse of tolerante leest geschoeid, ze krijgt nu een rechtse en chauvinistische invulling.

Als dit complexe verlangen inderdaad de bron van onze somberheid is, dan snapt iedereen waarom economische groei dit land geen beter humeur zal bezorgen. We zouden hier iets kunnen leren van de moderne biologie. Die laat zien dat mensen, net als andere groepsdieren, met twee verschillende impulsen in het reine moeten komen. We zijn van nature zowel op competitie als op coöperatie gericht en bij een gezonde samenleving zijn deze krachten in evenwicht.

Dat betekent vermoedelijk dat mensen actief reageren wanneer het evenwicht wordt bedreigd. Bij meer competitie op de arbeidsmarkt neemt het verlangen naar coöperatie toe. Gaat de aandacht eenzijdig naar economie, dan willen we meer moraliteit. Als globalisering domineert, gaan we op zoek naar onze nationale identiteit. En als de culturele diversiteit toeneemt, dan verdedigt de blanke meerderheid haar verworvenheden.

Je kunt er twijfels bij hebben, maar het is allesbehalve irrationeel. Politici die zich in de aanloop naar de verkiezingen enkel sterk maken voor banen, koopkracht, groei, etcetera, zullen maar een beperkt electoraat voor zich winnen. Het punt is niet de economie. De homo economicus bestaat helemaal niet. Onze mondhoeken hangen omdat we nog altijd niet weten hoe we in een multiculturele samenleving met elkaar om moeten gaan. De politieke partij die ons dichter bij elkaar weet te brengen, heeft het land aan haar voeten.