Politiek theater Orbán trekt te weinig publiek

Hongaars asielreferendum

De nationalistische Hongaarse premier Orbán schreef een referendum uit over het Europese asielbeleid. Het gehoopte massale ‘nee’ bleef zondag uit.

Orban houdt een toespraak na het referendum. Foto Laszlo Balogh / Reuters

Het referendum dat de Hongaarse regering uitschreef over EU-vluchtelingenquota is mislukt. Weliswaar stemde een overweldigende meerderheid van 98,3 procent tegen, maar nog geen 40 procent van de Hongaarse kiezers bracht zijn stem uit. Dat is minder dan de 50 procent die was vereist voor een bindende uitslag. Het is een ongewone tegenvaller voor premier Orbán die zijn populariteit opvijzelde met de bouw van een grensmuur en radicale antimigratieretoriek.

Een grote meerderheid zou volgens voorafgaande peilingen weliswaar ‘nee’ hebben gestemd op de vraag: „Wilt u dat de EU in staat is de verplichte hervestiging van niet-Hongaarse burgers in Hongarije op te leggen, zelfs zonder de goedkeuring van de Nationale Assemblee?” Met die nee-stem scharen ze zich achter de regering, die tegen toekomstige pogingen is om vluchtelingen te herverdelen over EU-lidstaten.

Propagandacampagne

Maar dat een tientallen miljoenen euro’s kostende propagandacampagne voor een nee-stem geen beter resultaat opleverde, ondergraaft de politieke impact van een volksraadpleging waarvan de juridische betekenis sowieso twijfelachtig was.

Sinds een in 2015 goedgekeurd plan om 160.000 vluchtelingen volgens quota te hervestigen over de EU-lidstaten strandde op een gebrek aan medewerking, is van nieuwe herverdelingspogingen nog geen sprake. Europese Commissie-voorzitter Juncker gaf bovendien te verstaan dat het referendum geen wettelijke gevolgen heeft voor Europa: lidstaten moeten zich aan de afspraken houden.

Lauwe reactie

Orbán maakte zich sterk dat een nee-stem toch consequenties zou krijgen, ongeacht de opkomst. Maar de lauwe reactie van het Hongaarse electoraat ondermijnt Orbáns politiek theater. Een overtuigde nee-stem was een bevestiging geweest voor zijn binnenlandse aanzien en een potentieel breekijzer in zijn Europese strategie. Boedapest wil een EU die subsidies uitdeelt en zich richt op kerntaken als de interne markt, maar geen beleid kan afdwingen in kwesties als migratie. Die opvatting wordt gedeeld door andere regeringspartijen in Oost-Europa.

Dat Orbán, zeer tegen de zin van de Europese Commissie en andere regeringsleiders, zijn referendumplannen doordrukte, bestendigt wel een trend: regeringsleiders die via volksraadplegingen de deur opengooien voor anti-Europees populisme.

Referenda kunnen ook riskant zijn zoals de voormalige Britse premier David Cameron recentelijk liet zien met zijn Brexit-referendum. Daarmee trof hij de EU in het hart, maar het kostte hem zelf ook de kop. Orbán gaat niettemin mee in die dynamiek. Al doende werpt hij zich op als inspiratiebron voor eurosceptici die niet aan de knoppen zitten, maar wel zijn weerzin jegens Brussel delen.

Speelt met vuur

De Italiaanse premier Matteo Renzi is pro-Europeser, maar volgens critici speelt ook hij met vuur: het referendum dat hij uitschreef over grondwetshervormingen dreigt uit te draaien op een vertrouwensstemming over hemzelf – en indirect over de EU.

Het referendum geldt ook als officieus kiezersonderzoek: Orbáns Fidesz-partij komt te weten bij welke bevolkingsgroepen haar machtsbasis ligt en hoeveel Hongaren ze nog kan mobiliseren wanneer de propagandamachine op volle toeren draait. De bescheiden opkomst kan gezien worden als probleem in de aanloop naar parlementsverkiezingen in 2018.

Dat de regering miljoenen aan belastinggeld besteedde aan een referendum met vaag resultaat, is een dankbaar argument voor de oppositie. Die benadrukt graag hoezeer de kliek rond Orbán fondsen aanwendt voor eigen profijt, terwijl basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs nog steeds achterblijven.