Ontgroenen steeds minder van deze tijd

Studentenleven

Waarom laait in Nederland na enkele incidenten de weerzin tegen ontgroeningen ineens zo hoog op? „Intredingsrituelen zijn op hun retour.”

Utrecht, ontgroening van HEAO studenten, 1988 Foto Michael Kooren / Hollandse Hoogte

O tempora, o mores. Een open zenuw is geraakt. De publieke opinie pikt het niet langer. Twee ontsporingen op studentencorps Vindicat – een mishandeling en een uitgelekte lijst met af te vinken ‘hete herten’ – en studentenverenigingen worden toch geen cultureel erfgoed en moeten in Groningen ‘stoppen met ontgroenen’. Verontwaardiging over excessen stamt al uit de tijd van de ‘roetkapdode’ (1965). Maar waarom lopen de gemoederen over deze initiatie nu ineens zo hoog op?

NRC vroeg het drie wetenschappers: universiteitshistoricus Péjé Knegtmans, socioloog en D66-senator Paul Schnabel en filosoof, socioloog en bestuurskundige Gabriël van den Brink. Twee van de drie waren in hun studietijd in de jaren zestig lid van een vereniging. En beiden hebben daar moeten afzien. Schnabel bij Veritas in Utrecht („Drie weken op de grond zitten, liederen zingen en weinig slapen”) en Van den Brink bij zijn communistische vrienden van de CPN in Nijmegen.

Want denk niet dat ‘linkse clubs’ niet ontgroenen. Ook die leren de student mores. Van den Brink moest bij wildvreemden aanbellen om dagblad De Waarheid te verkopen.

„Een rotopdracht. De deur werd regelmatig voor m’n gezicht dichtgesmeten. Het was bedoeld als ontmoediging. Zo van: je denkt misschien dat je al heel wat bent maar bij de CPN begin je onderaan. Je wordt gepiepeld en pas als je dat hebt doorstaan, vertrouwen we je en mag je meedoen.”

Van jongen naar man

Ontgroening is een overgangsritueel, een rite de passage. Die rituelen zijn zo oud als de mensheid zelf, zeggen de wetenschappers, en je vindt ze overal. Bij mannen, zegt Schnabel, markeert het van oudsher de overgang van jongen naar man, de stap van het huis uit, weg bij moeders, naar zelfstandigheid, de wijde wereld in. In sommige niet-westerse culturen bijvoorbeeld worden jongens achtergelaten in de jungle om zichzelf te redden.

Bij studentenverenigingen onderwerpen nieuwkomers zich aan een introductie met weinig slaap en veel groepsdruk en (verbale) intimidatie voordat ze erbij horen. Schnabel:

„De rituelen suggereren een exclusiviteit die in de samenleving niet meer gelegitimeerd wordt gevonden. En bij het studentencorps komt daar nog de achterhaalde pretentie bij dat de aankomende leden deel gaan uitmaken van een elitewereld.”

Bacchanalen en vechtpartijen

Dat was voor de opkomst van de massa-universiteit wel het geval. Toen was studeren nog een exclusief elitaire aangelegenheid en het studentenleven overzichtelijk. Of, nou ja. Knegtmans vertelt over de ontgroensenaten rond 1800. Iedereen die nieuw kwam werd uit de collegebanken geplukt en ontgroend. Kennis en uithoudingsvermogen werden op de proef gesteld. Dat liep flink in de kosten doordat de novieten de ouderejaars moesten trakteren op stevige bacchanalen en zelf dronken werden gevoerd. Zolang de braspartijen niet ontaardden in vechtpartijen op college zagen hoogleraren dat door de vingers.

Alleen: nu is ‘het student’, zoals de levensfase vroeger heette, geen onderscheidend criterium meer. Nog geen 6 procent van alle studenten aan hogescholen en universiteiten is aangesloten bij een studentengezelligheidsvereniging. En jongeren gaan, ook als ze werken, op zichzelf wonen. Het is een fase die iedereen doormaakt. En dan wordt het potsierlijk, zegt Schnabel, wanneer „een als heer vermomde voorzitter” op televisie verkondigt dat de tradities in stand moeten worden gehouden alleen maar omdat zijn vereniging al tweehonderd jaar bestaat.

Afscheidsrituelen belangrijker

Schnabel:

„Het intredingsritueel in het studentenleven heeft maatschappelijk gezien geen betekenis meer. De zin van de ontgroening is voorbij. En als rituelen geen nut meer hebben verdwijnen ze meestal. Tel daarbij op dat we leven in een samenleving waar sociale introductierituelen terrein verliezen aan emotionele afscheidsrituelen – afscheid nemen van je school, je werk en het leven – en de maatschappelijke weerzin neemt alleen maar toe.”

Dat is niet het enige wat de ophef verklaart, zegt Van den Brink. De maatschappij is ook gevoeliger geworden voor vormen van vernedering en van schade toebrengen, kijk maar naar de Zwarte Pietdiscussie. Het incasseringsvermogen is niet zo groot meer. We stellen hoge eisen aan integriteit, respect en het omgaan met elkaar.

„Dat is enerzijds een blijk van beschaving, dat je anderen ontziet en mekaar niet beledigt maar het is aan de andere kant ook behoorlijk verwend dat je niet meer tegen een stootje kan.”

Rationaliteit wint terrein

Afschaffen dan maar, die ontgroeningen?

Ik ben een waarnemer, zegt Van den Brink, en die analyseert en geeft geen advies.

„Maar ik stel wel vast dat de tolerantiegrens is verlaagd. De verwachting is dat we allemaal rationele mensen zijn. Vanuit die benadering zijn we rituelen gaan minachten. Maar mensen die aan rituelen meedoen zijn geen wilde beesten. Waarom zingen we het Wilhelmus bij een voetbalwedstrijd? Het irrationele van de mens vraagt om vormgeving. Het ritueel is zo’n vorm. We moeten niet de illusie hebben dat alle barrières in het leven met het verstand zijn op te lossen. Een ritueel kan helpen, net als een religie en een goede vriendschap. En als je dan de ontgroeningen wilt verbieden, zeg ik: dat is riskant, omdat het irrationele in de mens zich niet laat verdrijven.”

Dat beaamt historicus Knegtmans. Grote kans dat de clubs ondergronds gaan en hoe houd je er dan grip op? Schnabel wijst op het dak van Vindicat. Daarop staat een lichtreclame van Hooghoudt Jenever. Onderschat niet, zegt hij, dat ook drank een gevaarlijk element is in de introductietijd. Daarmee verliezen ook ouderejaars de greep op zichzelf. Zeker nu er een alcoholverbod bestaat voor jongeren onder de achttien. „Dat maakt het losgaan alleen nog maar spannender. Ook drank is overgangssymbool geworden voor volwassen worden en doen en laten wat je zelf wilt.”