Column

Behaagzieke Marilyn

Op zondagmorgen, de tweede dag van de tentoonstelling over Marilyn Monroe, is het al vroeg druk. De bezoekers – oud én jong – stromen De Nieuwe Kerk in Amsterdam binnen. Er zijn mensen bij die nog nooit een museum van binnen hebben gezien. „Waar dient dat voor?”, vraagt een oude man wantrouwig als hem wordt uitgelegd waar hij de audiotours kan vinden.

Zullen de meeste bezoekers de tentoonstelling voldaan hebben verlaten? Ik vermoed van wel. Er is veel te zien: goed geselecteerde filmscènes en foto’s, objecten die, hoe triviaal soms ook, de fans dichter bij hun idool brengen. En niet alleen hún idool, want wie had kunnen denken dat ik ooit nog eens een stropdas van Humphrey Bogart, twee zonnebrillen van Tony Curtis en de regenhoed van Frank Sinatra van dichtbij zou mogen aanschouwen?

Regenhoed? Ja, een plat, linnen gevalletje met enkele luchtgaatjes opzij, waaronder Sinatra zijn toupet veilig kon dragen. Bestaan ze nog, regenhoeden? Misschien was het Marilyn een beetje tegengevallen, de womanizer Sinatra met een regenhoed. Zou ze daarom zijn huwelijksaanzoek hebben afgewezen?

Mijn gevoelens voor Marilyn zelf bleven op deze tentoonstelling zoals ze altijd geweest zijn: nogal gemengd. Aan de ene kant bewondering voor haar schoonheid en uitstraling, aan de andere kant meewarigheid over al die gespeelde zinnelijkheid en doorzichtige koketterie – niet alleen in die vaak uiterst matige films, maar ook bij openbare optredens.

Haar beroemde „Happy birthday to you” voor een ongetwijfeld wegsmeltende president Kennedy blijft leuk, omdat je er weinig anders in kunt zien dan een geile knipoog naar een tijdelijke minnaar. Maar daar staan veel zelfvertedering en geforceerde sensualiteit tegenover. Kijk eens naar het filmfragment van een persconferentie over haar verloving met toneelschrijver Arthur Miller. Hoe ze behaagziek naar hem opkijkt, een stofje van zijn schouder veegt en dan haar hoofd even tegen hem aanvlijt – geen spontaniteit, maar louter berekening.

Op berekening was haar hele carrière gebouwd, ze was een vrouw die een filmster speelde, met allerlei aangeleerde tics, zoals een babystemmetje en een sexy huppeltje. „Ik doe nu even Marilyn Monroe”, kon ze tegen vrienden op straat zeggen, en dan gleed Norma Jeane Baker soepel in haar succesvolle creatie. Op het laatst van haar leven was de creatie belangrijker geworden dan het origineel en wist ze niet meer wie of wat ze nu eigenlijk was, behalve een goed geëxploiteerde fictie.

Deze tentoonstelling wil Monroe portretteren als een geslaagde zakenvrouw, een echte „business woman” die zich niet liet manipuleren, zoals Neelie Kroes in een inleiding schrijft. Het lijkt mij een vals beeld. Waar is ze ook weer aan gestorven? Aan de mazelen? Aannemelijker is toch die overdosis aan slaappillen die bij haar gevonden werden, zodat de officiële lezing van de lijkschouwer moest luiden: „Vermoedelijk zelfmoord”.

In de kern bleef ze de onzekere vrouw die ze in een vernielde jeugd was geworden. „Jij bent het droevigste meisje dat ik ooit heb gezien”, zei Arthur Miller tegen haar. In zijn autobiografie Timebends beschrijft hij hoe ze in volle kamers steeds moeiteloos de mensen vond die, zoals zij (ook al was ze geen echte wees), in weeshuizen hadden geleefd. In hun ogen stond altijd de vraag: „Hou je van me?”