Opinie

Waarom, waarom, waarom? Welnu, er was eens…

Waarom vragen kinderen (en volwassen) altijd maar ‘waarom’? Het antwoord is te vinden in kinderboeken. „Aan onze verbeeldingskracht hebben we meer dan aan ons verstand.”

Illustraties Mance Post

Waarom worden we vaak zo in verlegenheid gebracht als kinderen ‘waarom’ blijven vragen? En waarom vragen we eigenlijk waarom?

Hoe knap we ook zijn, we houden altijd wat te vragen over. Zo ook fysicus Robbert Dijkgraaf die in 2005 in VPRO’s Zomergasten de korte film Powers of Ten liet zien. Het filmpje toont de reikwijdte van ons universum door een stelletje op een picknick-kleed telkens met een factor tien uit te zoomen tot in een verre uithoek van ons bestaan, om vervolgens in tien van zulke stappen in te zoomen tot het diepste binnenste van de hand van de man op het kleedje.

„Vraag je mij wat jou drijft, dan is dat eigenlijk om te weten hoe die film verder gaat”, zei Dijkgraaf.

„Waar wil je uitkomen?” vroeg presentator Connie Palmen.

„Een theorie van alles,” antwoordde Dijkgraaf. „Ik verwacht dat er een reden is waarom het in elkaar zit zoals het in elkaar zit. En dat er misschien ook wel een soort laatste plaatje in de film is.”

Mijn kinderen willen ook de theorie van alles. De jongste (3) vraagt: „Waarom mag je niet al het water uit het zwembad drinken?” En: „Waarom mag je geen stiften eten? De middelste (8) vraagt geregeld: „Waarom moet ik morgen weer naar school?” De oudste (10) vraagt dingen als „Waarom gebruik je je stem als je iets wilt zeggen?” of „Waarom worden we eigenlijk ouder?”

Maar mocht het mij of Dijkgraaf lukken om mijn kinderen op alles wat ze kunnen vragen antwoord te geven, dan nog kunnen we ze niet tevreden stellen. „We houden altijd het gevoel”, schreef de filosoof Ludwig Wittgenstein, „dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen zijn beantwoord, onze levensproblemen nog helemaal niet zijn aangeroerd.”

Ook als we tot op de molecuul kunnen uitleggen dat als een hart niet meer klopt, het bloed niet meer stroomt, organen geen voeding meer krijgen en een lijf niet meer leven kan, snappen we nog steeds niet waar de geest blijft.

Sterker nog, we snappen zelfs niet waar onze geest zich bevindt als het lijf het nog wel doet.

Toen mijn oudste kind een jaar of zeven was, begon ze te tobben met gedachten aan de dood. Ze had alleen nog maar de dood van mijn oma meegemaakt. En ‘oude oma’ was zo oud geweest, dat het niet heel erg verontrustend leek. Maar de gedachte liet haar niet meer los. Natuurlijk was er de angst voor het doodgaan, maar vooral toch voor wat er na de dood gebeurde. Waarom konden we geen contact meer hebben met oude oma?

Als filosoof ben ik gewend aan vragen waarop geen antwoord is. Filosofie is eigenlijk niets anders dan het voortdurend stellen van dat soort vragen. Waarom is er iets en niet niets, bijvoorbeeld. Het is een intrigerende vraag, maar je weet dat je er nooit antwoord op krijgt.

Waarom dan toch die vragen? Op het gevaar af onnozel te klinken zou ik zeggen: Omdat het kunnen stellen van zulke vragen ons vaak grip geeft, of in elk geval het gevoel geeft grip te hebben op de onwetendheid waar we als mens mee zitten. Of we nu kind of volwassen zijn.

En dat is ook het antwoord op mijn eerste vraag: waarom worden we in verlegenheid gebracht door waarom-vragen? We weten heel goed dat we uiteindelijk op geen enkele waarom-vraag een definitief antwoord kunnen geven, maar we denken dat we wel een antwoord moeten hebben om onze kinderen (en onszelf) gerust te stellen.

Maar degene die dat denkt, is vaak ook het langst bezig om de oneindige reeks van waarom-vragen van de kleuter te beantwoorden („Omdat je ziek wordt van zwembadwater en stiften.” „Waarom word je ziek van zwembadwater en stiften?” En zo verder.)

Ik ontdekte bij mijn kinderen dat je veel eerder klaar bent met een antwoord als je uitgebreid ingaat op de vraag, door of de vraag te herhalen („Ja, waarom zou je ziek worden van zwembadwater en stiften?”) dan wel door het heel beeldend uit te leggen („In die stiften zitten heel kleine korreltjes, zo klein dat je ze niet ziet, en die gaan heel hard dansen in je buik en daar word je kotsmisselijk van.”)

Voor de onwetendheid die de vraag oproept, komen dan beelden in de plaats. Niet de feiten zelf, maar de verbeelding van de feiten geven het antwoord.

Daarom trekt Robbert Dijkgraaf ook volle zalen als hij over zwarte gaten en de snaartheorie spreekt. Omdat hij mooi kan vertellen én er zitten plaatjes bij. Niemand kan zijn uitleg echt volgen, daar is het veel te moeilijk voor, maar iedereen onthoudt de beelden.

Van het voorlezen voor het slapengaan wist ik dat boeken heel vaak dit soort geruststellende beelden geven. En dus zocht ik voor mijn kinderen – want de middelste was inmiddels ook gaan tobben – een boek of verhaal waardoor ze wat makkelijker over de dood konden nadenken. Ik vond vooral veel boeken over dode opa’s, oma’s en vermiste knuffels – maar die gingen niet over de vraag waar oma is als ze er niet is.

Die verhalen zijn er natuurlijk wel. Bijvoorbeeld over de eekhoorn van Toon Tellegen die midden in de nacht wakker schrikt met een hoofd vol gedachten. ´

„Hoe moet dit, en waarom is dat, en wat gebeurt er later? Het waren vragen waar hij geen antwoord op wist, vooral niet op de laatste vraag die maar door zijn hoofd bleef gaan: wat gebeurt er later?” Andere dieren komen met antwoorden. De ekster vertelt dat later het omgekeerde van vroeger is; de mier dat later niets is. „Maar wat is het omgekeerde van niets: iets of niets? Bestond vroeger wel of niet?” Uiteindelijk stapt de eekhoorn terug in bed „terwijl hij zijn gedachten, die altijd wijzer waren dan hijzelf, niet langer volgen kon.”

Is de vraag, waar we zijn als we er niet meer zijn, beantwoord? Nee nooit, maar het waarom is vervangen door een beeld. Dát leren boeken en in de eerste plaats kinderboeken ons; dat we uiteindelijk meer aan onze verbeeldingskracht hebben dan aan ons verstand als het om aangeroerde levensproblemen gaat.