Waarom een medicijn van 1,50 euro per pil wordt verkocht voor 1.000 euro

Medicijnprijzen Wetenschapsredacteur Karel Berkhout legt uit waarom nieuwe medicijnen zo duur zijn.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

vignetmedicijnkosten

Voor hepatitis C bestaat sinds enige tijd een fantastisch geneesmiddel. Een internist vertelde me dat hij zoiets nog nooit heeft meegemaakt: „Meer dan 90 procent van mijn patiënten vertoont een spectaculaire verbetering of geneest volledig. Binnen afzienbare tijd zullen in mijn wachtkamer geen hepatitis-C-patiënten meer zitten.”

Toch wekt sofosbuvir – zo heet het middel – onder politici en ambtenaren grote woede en vrees op. De Amerikaanse senaat heeft de fabrikant al aan de tand gevoeld over het middel. In Duitsland heeft het nationale instituut voor medicijnen er de noodklok over geluid. De reden? De prijs van het middel, dat 1.000 dollar per tablet kost (productieprijs 1,50 euro) en daarmee zo’n 84.000 dollar (74.000 euro) per behandeling.

Hiermee is het hepatitis-middel lang niet het duurste medicijn. De medicijnen voor bijvoorbeeld de ziekte van Fabry, de ziekte van Pompe en het syndroom van Hunter kosten respectievelijk 200.000, 400.000 en 550.000 euro per patiënt per jaar. Maar terwijl deze ziekten heel zeldzaam zijn, komt hepatitis C in bijvoorbeeld Duitsland bij 300.000 mensen voor. Wie hen allemaal wil genezen, is meer dan 20 miljard euro kwijt. De rekening voor de 3,2 miljoen Amerikaanse patiënten zou op 270 miljard dollar komen.

Waarom zijn medicijnen zo duur? De tekst gaat door onder de video.


(video: Bruno van Wayenburg)

Dergelijke astronomische bedragen hebben het hepatitis-middel gemaakt tot het symbool voor het almaar aanzwellen van de stroom dure geneesmiddelen. Die stroom bestaat overigens vooral uit nieuwe kankermiddelen, waarvan de meeste al gauw 100.000 euro per jaar per patiënt kosten. KWF Kankerbestrijding heeft berekend dat Nederland dit jaar 300 miljoen euro meer aan kankermedicijnen zal uitgeven dan in 2014 (675 miljoen euro), toen de uitgaven ook al 300 miljoen euro hoger waren dan in 2011.

Doordat de totale uitgaven aan de zorg niet of nauwelijks mogen stijgen (1 procent per jaar), dreigen de geneesmiddelen andere zorg te verdringen. „Dure medicijnen zijn koekoeksjongen die andere kuikens uit het nest kieperen”, zei een arts mij onlangs. Wie dit koekoeksjong kortwiekt door bijvoorbeeld voortaan niet meer alle medicijnen te vergoeden, ontzegt patiënten de kans op verbetering of verlenging van het leven. ‘Toegangsproblematiek’ wordt dat wel genoemd en tot voor kort bestond die alleen in arme landen, waar nooit genoeg geld is geweest om iedereen de medicijnen te geven die nodig zijn. Nu waart dit Derde-Wereld-spook ook rond in Europa – en in de VS.

Het is dus geen wonder dat beteugeling van de medicijnprijzen een politiek thema is geworden in de westerse landen. De vraag is alleen: kunnen politici de medicijnprijzen echt beteugelen? Het debat is niet alleen ingewikkeld door de ethische vragen, die zaken van ziekte, leven en dood per definitie oproepen, maar ook doordat de peperdure pillendoosjes een black box zijn. De farmaceutische bedrijven geven namelijk geen inzicht in de werkelijke ontwikkelingskosten van nieuwe geneesmiddelen. De industrie liet ooit berekenen dat de ontwikkeling van een geneesmiddel 2,5 miljard dollar kost. Maar volgens onafhankelijke wetenschappers kost een nieuw middel ‘maar’ 60 miljoen tot 200 miljoen dollar. Dat maakt het lastig om een exact antwoord te vinden op de vraag: hoe komt het eigenlijk dat medicijnen steeds duurder worden?

Bekijk in deze video waarom medicijnen zo duur zijn

Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw berekenden fabrikanten voor een geneesmiddel de kostprijs-plus-winstopslag. Toen besloot een fabrikant een slecht lopend middel niet goedkoper te maken, zoals gebruikelijk is op vrije markten, maar juist veel duurder te maken. Deze premiumaanpak, ook bekend van dure auto’s, tassen en parfum, werd een groot succes.

Deze marketingstunt was de geboorte van de zogeheten value based pricing, waarbij fabrikanten de maximale prijs vragen die de samenleving kan en wil betalen. ‘Wat de gek ervoor geeft’, wordt dit ook wel genoemd. Toch zijn de argumenten daarvoor soms helemaal niet zo gek. Door sovosbuvir, om dit hepatitismiddel maar weer even te noemen, bespaart de samenleving op termijn veel geld aan ziekenhuisopnamen, verpleging en verloren arbeidsuren.

De vraag is alleen: waarom komt deze kostenbesparing niet ook ten goede aan de premiebetalers, in plaats van dat de fabrikant het volle pond incasseert? Dat komt doordat bij geneesmiddelen het machtsevenwicht tussen verkoper en koper volkomen is verstoord. De verkoper, de fabrikant, heeft een langdurig monopolie op een geneesmiddel dankzij patenten en in veel gevallen ook nog markt-exclusiviteit. De koper, de samenleving, kan dus alleen bij die fabrikant kopen en kan heel moeilijk afzien van koop omdat in een beschaafd land niemand een zieke patiënt herstel of levensverlenging wil onthouden.

Premiebetalers die de aanschaf van geneesmiddelen voor zieke medeburgers financieren zijn wat Amerikanen noemen buyers in the ultimate sellers market. Wie dat wil veranderen, moet of de macht van de verkoper verkleinen of de macht van de koper vergroten – of allebei.

Om de macht van de fabrikanten te verkleinen, pleiten maatschappelijke organisaties al jaren om de patentwetgeving aan te passen. Zodra een geneesmiddel uit patent is, mag iedereen het namaken en dalen doorgaans de prijzen. Fabrikanten koppelen daarom vaak aan hun oude middel een nieuwe, gepatenteerde toedieningsvorm; denk aan een pil met een omhulsel dat de afgifte vertraagt. Met deze secundary patenting verlengen ze in feite hun patent en blijft de prijs hoog. Die praktijk is in bijvoorbeeld India verboden en zou ook in Europa beperkt kunnen worden. Misschien is het effectiever om de macht van de kopers te vergroten, door de eigen bereidheid om te betalen te verminderen. In het Verenigd Koninkrijk beperken degenen die nieuwe geneesmiddelen beoordelen de ‘willingness to pay’ met een harde financiële grens, de QALY. Dat begrip staat in het Engels voor ‘gewonnen gezond levensjaar’ dat een geneesmiddel oplevert. Is zo’n levensjaar duurder dan 30.000 pond, dan wordt het middel niet vergoed. In principe dan, want in de praktijk blijken er nogal wat sluiproutes te zijn.

In Nederland hebben de beoordelers van het Zorginstituut Nederland ook al eens negatief geadviseerd over de vergoeding van middelen met een QALY hoger dan 80.000 euro. In 2012 wees het Zorginstituut de vergoeding af van het Pompe-middel voor een bepaalde groep patiënten. De maatschappelijk ophef was zo groot, dat Schippers het advies onmiddellijk naast zich neerlegde.

Toch lijkt het onvermijdelijk dat de minister ooit namens de samenleving een keer nee gaat zeggen tegen de vergoeding van een (te) duur middel. Maar moet ze dat wel doen? En wanneer wel en wanneer niet? Zijn er betere en doelmatiger methoden om de prijzen in bedwang te houden? Op die vragen hopen we de komende maanden antwoorden te krijgen.

Lees ook het opiniestuk: doodgaan hoort erbij