Column

Sterven voor Hongarije en Europa

In november 1956 zond de directeur van het Hongaarse nieuwsagentschap, vlak voordat zijn kantoor door artillerievuur werd platgelegd, een telex de wereld in met het wanhopige bericht dat de Russische aanval op Boedapest was begonnen. De slotzinnen luidden: „Wij zullen sterven voor Hongarije en voor Europa.” Hoe moeten we dit begrijpen? Niemand dacht destijds dat de Russische tanks zouden doorrollen naar het Westen. Nee, de persdirecteur bedoelde dat de Russen een aanval deden op Europa zelf. En hij was bereid te sterven opdat Hongarije Hongaars en Europees kon blijven.

Met deze scène opent de Tsjechisch-Franse schrijver Milan Kundera zijn briljante essay De tragedie van Midden-Europa, over het lot van Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije.

Gezien de huidige zorgen over de politieke ontwikkelingen in deze landen is het de moeite waard dit stuk uit 1983 te herlezen (de Engelse vertaling is eenvoudig op het web te vinden). Binnen de EU manifesteert Midden-Europa zich steeds zelfbewuster als club, de Visegrád-Groep of V-4. Het kwartet verzet zich tegen de verdeling van asielzoekers over de EU; Viktor Orbán houdt er zondag zijn referendum over. Ook onliberale mediawetten en inbreuken op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht trekken de aandacht. In West-Europa groeien de malaise en irritatie. Luxemburgs veteraan-buitenlandminister Jean Asselborn liet zich ontvallen dat Hongarije misschien uit de EU moet. Ook in Frankrijk zijn zulke sentimenten voelbaar. Oude misverstanden verharden.

Sinds duizend jaar valt het Europese continent uiteen in een Westen rond Rome en de katholieke kerk (inclusief het latere protestantisme) en een Oosten rond Byzantium en de orthodoxe kerk. Sinds duizend jaar horen Polen, Hongarije en Tsjechië cultureel tot dit Westen. Het drama begon voor hen na 1945, toen met de opmars van het Russische leger de grens tussen beide Europa’s honderden kilometer westwaarts verschoof. Cultureel verankerd in het Westen, lagen ze nu politiek in het Oosten. Klem.

„Het gekidnapte Westen”, noemt Kundera het. Juist in deze landen vonden de heftigste opstanden tegen communistisch Moskou plaats – Boedapest 1956, Praag 1968, Gdansk 1981. Telkens gedragen door de bevolking, telkens gevoed door romans, gedichten, komedies, films, cabaret, filosofie. Zelf zagen deze naties zich nog als Europees, als onderdeel van het Westen, maar wij zagen dit niet langer. Misschien hadden ze hun plaats wel onder de Russen, ze spraken toch Slavisch? Erger, schreef Kundera, is dat West-Europa ook zichzelf niet meer als culturele eenheid begreep, het zicht op de gedeelde historische en culturele bodem verloor.

Dus bleven wij doof voor de existentiële nood van Hongaarse musici, Tsjechische romanciers of Poolse schrijvers, blind voor de Europese erfenis van Mahler, Husserl, Freud, Kafka, Bartók of Gombrowicz en al die anderen. Wij drukten onze hoogste waarden anders uit, als überhaupt nog.

Ik neem aan dat ook Milan Kundera (87) zich vanuit zijn Franse woonplaats zorgen maakt om het Hongarije van Orbán en Polen van Kasczyński. Toch verdiept zijn essay het begrip voor hun drijfveren. Voor de wil de Europese cultuur te verdedigen tegen barbaren uit het oosten – oftewel, hoe anti-communistisch verzet omslaat in antimoslimhetze. Voor de pretentie ons beter te begrijpen dan wijzelf, decadente westerlingen. En misschien vooral, van deze drie het minst onwelkom, voor een diep besef van historische kwetsbaarheid.

Midden-Europa was en is een gebied van kleine naties, tussen Duitstaligen en Russen, voor wie overleven niet vanzelfsprekend is.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof in Brussel. Deze column is wekelijks.