Recensie

Red de natuur uit de ‘inktzwarte nacht van de onwetendheid’

De halve aarde laten verwilderen? Geen gekke gedachte, om de natuur te redden. Maar praktisch gezien een absurd idee. Toch?

Wie het nieuwste boek van de beroemde en inmiddels hoogbejaarde topbioloog Edward O. Wilson (87) leest, denkt: misschien toch maar wel doen. En in ieder geval snel mee beginnen. Want alleen een ingrijpende verandering van denken en redeneren over natuur kan de huidige resten van de levende natuur nog bewaren voor de toekomst en het nageslacht, zoals Wilson betoogt.

Halverwege het boek geeft Wilson alvast een aftrap, met een overzicht van 36 belangrijke gebieden, die in ieder geval moeten worden beschermd. En beschermen is hier: aan hun lot worden overgelaten. Zonder menselijk ingrijpen. Want met die gemanagede natuur, meestal ook gericht op enige economische winst, heeft Wilson zeer weinig op. We kunnen de natuur niet managen, is zijn centrale punt. Een dwaalfilosofie uit goedbedoelde onwetendheid, vindt hij het.

Dit boek is vooral één lang schotschrift tegen die maakbare natuur, de precies uitgeplande recreatiereservaten. Eigenlijk zoals we dus in Nederland omgaan met natuur.

In werkelijkheid is er in die parkjes sprake van een ‘inktzwarte nacht van de onwetendheid’ over hoe die ontelbare en vaak onbekende soorten een ecosysteem vormen. Als voorbeeld van die ongelooflijke complexiteit noemt Wilson het Great Smokey Mountains National Park, een van de best bestudeerde natuurreservaten van Amerika. Bij een grondige inventarisatie bleken hier 18.200 soorten samen te leven. De helft was al bekend, maar de rest was een verrassing. Bijna duizend soorten waren nieuw voor de wetenschap (waarvan een derde microben, maar ook 38 muggensoorten). Conclusie: we zijn aan het uitroeien wat we nog helemaal niet kennen.

De 36 wildernissen die zo snel mogelijk bevrijd moeten worden van de mens heeft hij uitgekozen in nauw overleg met vooraanstaande natuuronderzoekers. Het is een fascinerende lijst, maar in dit boekje oogt hij maar kaal. Het had een veel uitgebreider boek verdiend, met grafieken, tabellen en vooral: veel schitterende foto’s. Een National Geographic-serie, met verstandig wetenschappelijk commentaar. Nu hebben we een paar alinea’s per onschatbaar natuurgebied.

Opgesomd worden natuurlijk het Amazonebekken, de Mammoetbossen in Californië, het Baikalmeer, de Serengeti, Nieuw-Guinea en de bossen van de Congo. Maar ook de bosgebieden in Mexico waar de monarchvlinder overwintert, de ‘bossen van de Ethiopisch-orthodoxe kerk’ en ongeveer heel Zuid-Afrika.

Hoe dat allemaal in de praktijk zou moeten en waar bijvoorbeeld al die mensen heengaan die nu nog in die schitterende gebieden leven, legt Wilson niet uit. Eerst maar zoveel mogelijk mensen overtuigen, dan komen ‘de details’ later wel, zal hij gedacht hebben. Geen gekke volgorde, al is het moeilijk voor te stellen hoe de wereldpolitiek dit ooit voor elkaar zal krijgen, als diezelfde wereldgemeenschap een oorlog in Syrië of Soedan al niet kan oplossen.

Wilson zelf put hoop uit de economische verschuiving van wat hij noemt kwantitatieve naar kwalitatieve welvaart ‘verduurzaamd door het ecologisch realisme’. Hij ziet ook wel wat in hoge-resolutiecamera’s in de reservaten, die 24 uur per dag uitzenden. Als er dan nu en dan commentaar van deskundigen aan toegevoegd wordt levert dat de mens achter zijn computer „een onophoudelijk veranderend veilig avontuur” op. Ik hoop het maar.