Recensie

‘Fuck the moon landing, let’s rock!’

Bruce Springsteen

Deze week verscheen de autobiografie van een van de succesvolste Amerikaanse popartiesten. Het resultaat: een heldenverhaal vol depressies, hoogtepunten en de hang naar erkenning van vader.

©

Een van de mooiste passages in Born to Run, de deze week verschenen autobiografie van Bruce Springsteen, gaat over producer Ron Aiello. Tijdens de opnames van Wrecking Ball (2012) ging Clarence Clemons dood, de enorme saxofonist met zijn even simpele als effectieve partijen, en voor Springsteen een soort kruising tussen een talisman en een beschermengel. Aiello voelde zich machteloos maar realiseerde zich ook dat Clemons nog een solo had moeten inspelen. Hij zocht een live-opname van het betreffende liedje en begon de saxofoonpartij zorgvuldig te isoleren en op te poetsen, zodat die gebruikt kon worden voor het album. Het beeld van de producer die seconde voor seconde bezig is de overleden big man nog voor één liedje tot leven te wekken, is ontroerend.

Het is een van de weinige scènes waarin Springsteen een bijfiguur nodig heeft om zijn emoties over te brengen, want de rest van Born to Run is een overdonderend, genadeloos, therapeutisch zelfportret. Zonder veel distantie leidt de Amerikaanse artiest de lezer door zijn leven: hij portretteert zijn alcoholische vader, zijn passieve moeder, de kostschool met dominante priesters en nonnen die hem opzadelden met een wereldbeeld van hel en verdoemenis, waar hij zich via de muziek aan zou proberen te ontworstelen.

In zekere zin lukt dat glorieus: het verslag van Springsteens muzikale ontwikkeling is een heldenverhaal zonder weerga waarin de tegenslag, die er heus ook wel was, altijd overwonnen wordt dankzij inzet en vriendschap en ook een groot zelfbewustzijn. Want al vrij snel realiseert Bruce zich dat, als híj de liedjes schrijft en zingt, het misschien wel net zo handig is als hij ook alle beslissingen neemt. Dus zonder veel moeite ontslaat hij bandleden – althans, hij neemt de beslissing, de manager mag meestal het moeilijke gesprek voeren. En voor de overblijvers geldt: ideeën worden op prijs gesteld maar er gebeurt wat Bruce wil. En waarom zou je daar als bandlid ook tegen protesteren, als de lijn van de carrière zo kaarsrecht omhoog gaat.

Voltreffer na voltreffer

Het vroegste bandje, de eerste muzikale vriendschappen, het keiharde werk op het podium, de sensatie om jezelf voor het eerst op de radio te horen: het zijn de klassieke elementen van een rock-’n-roll heldenverhaal dat eigenlijk altijd leuk is om te lezen. Springsteen vertelt het goed, met aanstekelijk plezier. Vooral over zijn eigen optredens is hij vol lof: op het podium weet hij wat hij waard is en hij is scheutig met het woord ‘legendarisch’ als het gaat om zijn eigen podiumpresentatie. Hoogtepunt is misschien wel een optreden op 20 juli 1969, toen zijn carrière nog van de grond moet komen, waarbij Springsteen woedend wordt over de tv die aan blijft staan tijdens zijn optreden. Het is de avond van de maanlanding, maar dat interesseert hem niet: ‘Fuck the moon landing, let’s rock!’

Ook de verhalen over de totstandkoming van de platen zijn fraai. Steeds weer is het een nieuwe zoektocht, nooit wil hij zich herhalen en nooit is hij tevreden. Er is een groot verschil tussen muziek maken en platen maken. En op het podium maken ze elke avond muziek, maar om in die weerbarstige studio het juiste geluid te krijgen, dat blijkt steeds weer een enorme worsteling, waarbij hij meer dan eens geneigd is om alles weg te gooien. Dat was nergens voor nodig, vooral vanaf Born to Run maakt hij voltreffer na voltreffer: Darkness on the Edge of Town, The River, Nebraska, Born in the USA, Tunnel of Love: platen met elk een eigen karakter en sfeer, die allemaal op hun eigen manier spontaan klinken.

Wanneer het mis dreigt te gaan, is dat niet vanwege de muziek, maar vanwege het geld. Zijn eerste manager blijkt hem jarenlang uitgeperst te hebben en uiteindelijk komen ze voor de rechter te staan. Als de rechter vaststelt dat hij een ‘slavencontract’ heeft getekend, denkt Springsteen dat hij gelijk gaat krijgen, maar dat blijkt naïef: „Je manager heeft een geweldige zaak. JE HANDTEKENING STAAT OP DE OVEREENKOMST!”

Twee jaar lang is Springsteen bezig zich vrij te procederen, tussen Born to Run en Darkness on the Edge of Town, dat wil zeggen: een periode waarin hij op zijn allerbest was en geen plaat kon uitbrengen. Een wrede bijkomstigheid van de grillen van de muziekindustrie die hij verrassend blijmoedig draagt. (Pas in 2010 verschijnt een dubbel-cd met liedjes uit deze periode: The Promise – en het is een van zijn allermooiste platen.)

Zo goed als hij weet hoe hij zich als muzikant op moet stellen, zo ingewikkeld maakt hij het in zijn persoonlijke leven. Van zijn disfunctionele, alcoholische vader hoefde hij geen steun te verwachten (‘ik was niet mijn vaders favoriete medeburger’) maar dat doet hij natuurlijk toch. Pas wanneer hij thuiskomt met een Oscar – voor het liedje bij de film Philadelphia – zegt pa: ‘Ik zal nooit meer iemand vertellen wat hij met zijn leven moet doen.’ Dat is in 1993, zijn zoon is een van de succesvolste popartiesten van de afgelopen tien jaar, maar dán pas realiseert vader Springsteen zich dat hij geen mislukkeling op de wereld heeft gezet.

Preventief medicijn

Springsteen laat er geen twijfel over bestaan dat de depressies die steeds heftiger worden, met een gebrek aan vaderlijke waardering te maken hebben, evenals het onvermogen om op een goeie manier relaties aan te knopen. Steevast na een jaar of twee besluit hij dat hij de liefde niet waard is en maakt hij het weer uit. Na de scheiding van zijn eerste vrouw complimenteert zijn moeder hem nog dat het dit keer dríé hele jaren had geduurd, een record. En als het aan Bruce had gelegen, had ook zijn huwelijk met Patti Scialfa geen stand gehouden. De passages waarin hij beschrijft hoe zijn sombere buien komen opzetten en langzaam maar zeker vrijwel ondraaglijk worden, overtuigen in hun pijnlijke eenvoud: „Als ik wakker was, was ik de hele dag bezig met het zoeken naar een houding waarin ik me de volgende paar minuten goed voelde.” Vooral na afloop van een tournee gaat het vaak slecht: optredens werken voor hem als een preventief medicijn. Ook daarom duren ze steeds zo lang.

Een echte oplossing komt er niet en Springsteen zoekt permanent naar evenwicht tussen de juiste medicatie en acceptatie van zowel zijn vader als zijn katholieke opvoeding. Hoewel je het boek niet zonder zorg dichtslaat, is dat wel zo realistisch.

Een schrijver is Springsteen niet: de opbouw is die van een schools en toen-en toen-en toen, uitroeptekens, hoofdletters en beletseltekens zijn de meest gebruikte stijlmiddelen om emoties over te dragen. Hij deinst niet terug voor clichés en larmoyante beelden waar je wel mee weg komt als ze begeleid worden door een negenkoppige band, maar die op papier soms wel erg potsierlijk overkomen. Wanneer hij met saxofonist Clarence Clemons in de auto zit: „Een blanke en een zwarte man samen op een levenslange reis in een verder onbetekende nacht”, of wanneer hij zijn gitaar het „zwaard van mijn uitdrukkingswijze” noemt: het staat vol met dit soort beelden die een ghostwriter er nooit ingezet zou hebben.

Echt storen doet het niet, want het past bij Springsteen, steeds op zoek naar een manier om larger than life te zijn, bouwend aan een muur van woorden als papieren equivalent van de wall of sound die de plaat Born to Run is. Het boek is opgebouwd als een concert: lang, en de band wordt al ongeveer halverwege voorgesteld zodat je het gevoel krijgt dat de toegiften eindeloos duren. De hoofdstukken zijn kort, je hebt ze allemaal binnen 4 of 5 minuten uit, de lengte van een liedje. En net als met de live-optredens: aan het eind is zelfs de grootste scepticus overtuigd.