Niet dat hij de perfecte zoon uithing

Jonge jaren Tonio van der Heijden verongelukte toen hij net volwassen was. Hij leeft onder meer voort in de requiemroman van zijn vader. Komende week gaat de film Tonio officieel in première. „Hij had een enorme kracht. Maar hij was soms ook een kleine jongen.”

Tonio van der Heijden (tweede van links).

Tonio van der Heijden was een kleuter toen hij pal voor zijn nieuwe juf ging staan. „Je raadt nooit wie mijn vader is!”, riep hij. „Adri van der Heijden!”

Het verhaal over zijn zoon verraste de schrijver: thuis sprak Tonio nooit vol trots over hem. „Al jong had hij door dat mensen wisten wie zijn vader was. Maar hij merkte ook dat mijn vrouw en ik er niet op uit waren hem die status te geven.”

Adri van der Heijden schreef een requiemroman over zijn zoon, die op 21-jarige leeftijd om het leven kwam bij een verkeersongeval in Amsterdam. Tonio (2011) werd met ruim 200.000 verkochte exemplaren een bestseller. De gelijknamige film – inzending voor de Oscars – beleeft woensdag zijn grote première. Wat zou Tonio van al die aandacht hebben gevonden?

„Ik denk dat hij trots zou zijn geweest dat er zo veel liefde van zijn ouders in die film zit”, zegt Tobias van Geijn, met wie Tonio samen op het Ignatiusgymnasium zat. „Maar van de fotografen op de première had hij niets moeten hebben. Tonio geilde niet op aandacht. Net zoals hij niet liep te pochen over zijn vader.”

Van Geijn chatte vaak met Tonio via MSN. Zo ook tijdens de uitreiking van de AKO Literatuurprijs in 2007. „Met een schuin oog keek ik naar Pauw & Witteman, waar Adri aan tafel zat. „Je vader is op tv!”, schreef ik. „Hij heeft de AKO Literatuurprijs gewonnen!” Tonio was iets anders aan het doen, maar reageerde blij. Ik was er duidelijk meer mee bezig dan hij.”

Trots op zijn afkomst en die tegelijk relativeren: het was karakteristiek voor Tonio van der Heijden. Enkele jaren voor zijn dood solliciteerde hij op een baan als verkoper bij Dixons in Amsterdam-West. Een jongen uit het sjieke Amsterdam-Zuid die wilde werken in een volksbuurt: volgens sommigen was dat Tonio ten voeten uit.

Als een broer

Op de Cornelis Vrijschool, een basisschool vlakbij de plek waar Tonio op 23 mei 2010 werd aangereden, wordt hij herinnerd als een jongen die lang kind bleef. „Zijn moeder haalde en bracht hem”, vertelt juf Loes van der Sluis. „Misschien wel tot groep acht. Ik zie hem nog achterop de fiets zitten, één been aan elke kant. Hij was een vrolijk en tevreden kind.”

Zijn moeder, schrijfster Mirjam Rotenstreich, beaamt het. „Tonio was makkelijk”, zegt ze. „Ik heb in al die jaren nooit ruzie met hem gehad. We leken veel op elkaar. Omdat ik als kind in mezelf gekeerd was, was ik wel eens bang dat ik iets over het hoofd zag. Iemand kan toch niet alléén maar gelukkig zijn, dacht ik. We hebben veel lol gehad samen, maar ik heb nooit goed met hem kunnen praten over hoe hij zich voelde.”

Zelfs zijn beste vriend Pim Bombeeck – ‘Jim’ in de requiemroman – vraagt zich af of hij Tonio goed heeft gekend. „Tonio was als een broer, zegt hij. „Ik ben nog steeds kapot van zijn dood. Maar het is waar dat hij erg op zichzelf was. Als hij ergens mee zat was hij grumpy. Ik kreeg de indruk dat hij mensen niet lastig wilde vallen met zijn présence. Hij leek faalangstig.”

Volgens Bombeeck wilde Tonio zijn ouders tevreden stellen. „Niet dat hij de perfecte zoon uithing, maar hij wilde hen ook niet op zijn nek. Hij zocht een tussenweg. Dat was niet altijd makkelijk. In zijn hoofd maakte hij zijn ouders strenger dan ze zijn.”

Bombeeck vertelt dat Tonio blowde. „Hij wilde niet dat zijn ouders dat zouden merken.” „Hij gebruikte partydrugs”, vult jeugdvriend Van Geijn aan. „Maar hij was zeker niet van God los.” In de tijd dat hij in de Amsterdamse Baarsjes een verdieping met Bombeeck deelde, de laatste twee jaar van zijn leven, leefde Tonio „wat rommelig”, zegt Van Geijn. „Toen hij nog bij zijn ouders woonde werd zijn kamer schoongemaakt en nam de werkster borden met etensresten mee. Eenmaal op kamers liet hij zijn bord nog steeds staan, maar dan ruimde niemand het op.”

Baantje bij Dixons

Na het gymnasium duurde het even voordat Tonio zijn draai vond. Hij schreef zich in bij de Fotoacademie in Amsterdam, maar verruilde die al snel voor de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Toen hij de fotografieopleiding daar ook afbrak, nam zijn vader hem apart. „Ik vroeg hem waar zijn ambitie was”, zegt Adri van der Heijden. „Dat trok hij zich aan.” Vrij snel daarna vond hij het baantje bij Dixons. Later ging hij Media en Cultuur studeren.

Adri van der Heijden herkent zich niet in het beeld dat Tonio zijn ouders tevreden wilde stellen. „We hebben hem nooit tot uitsloverij verleid. Mirjam en ik zijn mensen die met de nodige hoffelijkheid met elkaar én met hem omgingen.” Zijn ouders lieten Tonio vrij, meent ook Van Geijn. „Ze wilden dat hij gelukkig werd.”

Dat dat geluk binnen handbereik lag, bleek volgens zijn oude schoolvriend vooral in Tonio’s laatste levensjaar. „Hij werd steeds zelfverzekerder. De wat pukkelige en dikkige jongen die ik op het gymnasium had leren kennen, ging er beter uitzien. Als hij niet verongelukt was, had hij dat jaar vast zijn eerste vriendinnetje gekregen. Hij had veel behoefte aan een relatie.”

In de roman Tonio wordt veel nadruk op Jenny gelegd, het meisje dat hij kort voor zijn dood fotografeerde in zijn ouderlijk huis. Volgens Adri maakte zijn zoon na de fotoshoot een „verliefderige indruk”. „Tonio had iets opschepperigs over zich. Ik vroeg niet door, maar zag dat hij het bezoek als prettig had ervaren.”

Jenny blijkt in het echt Fanny Durocher te heten. Ze woont al enkele jaren in de Verenigde Staten. Mede door het overlijden van Tonio wilde zij uit Nederland weg. „Ik kende hem nog niet zo lang, maar vond hem wel speciaal. Tonio was charmant, behulpzaam en ietwat verlegen.”

Durocher hoort het Tonio nog zeggen, al dwalend door zijn ouderlijk huis: ‘kon het altijd maar zo mooi zonnig zijn’. Niet één keer, maar wel drie. Uit de foto’s die hij van haar maakte leidde zij af dat hij „met open hart” naar haar keek. Zelf was zij hem nog aan het ontdekken. „Ik ben niet van liefde op het eerste gezicht”.

Hij gebruikte partydrugs. Maar hij was zeker niet van God los

Tobias van Geijn, jeugdvriend

Abonnement op Artis

Tonio was begonnen met fotograferen op zijn zestiende, nadat hij de camera van vriend Tobias had bewonderd. Samen namen ze een abonnement op Artis om foto’s van dieren te maken. „Toen we achttien waren vond ik het nog steeds leuk, maar Tonio tilde het naar een hoger niveau. Hij kocht een spiegelreflexcamera en leerde foto’s bewerken.”

Volgens Guido de Heer, docent op de Fotoacademie, verraadde Tonio’s manier van denken over fotografie „een pril talent” . „Hij wist precies wat hij mooi vond en kon dat goed verwoorden – op een rustige, onderkoelde manier.”

Zijn voormalig leidinggevende bij Dixons, Ko Kantorowitz, zegt dat Tonio niet uitgepraat raakte over fotografie. „Hij was digitaal opgevoed, ik kwam nog uit de fotorolletjestijd. Daar wist hij weinig van. Ik heb hem nog dokales gegeven.”

Bij klanten viel Tonio op door zijn „scherpe tong”. Als iemand een rare vraag stelde, liet hij dat volgens Kantorowitz duidelijk blijken. „Hij had een enorme kracht. Maar hij was soms ook een kleine jongen. Ik weet nog dat hij vanuit het niets op mijn schoot sprong, we zaten in mijn kantoor. Duim in de mond, alsof hij een baby was. Ook dát was Tonio.”