Interview
Peter Lindbergh

Tien jaar geleden begon Peter Lindbergh zich zorgen te maken. Zou het voor hem, de modefotograaf wiens naam zo verbonden is aan de supermodellen van de jaren negentig, binnenkort voorbij zijn? Was zijn sfeervolle zwart-witfotografie helemaal uit de mode aan het raken?

Het tegendeel is het geval gebleken. Het gaat beter dan ooit, grijnst Lindbergh (71). Ik kan maar een op de tien – oké; ik overdrijf misschien, laten we zeggen een op de vijf, zes – opdrachten aannemen.

Door Milou van Rossum. Foto’s: Frank Ruiter. Vorm: Koen Smeets

Hoe verklaart u dat?

„Wat ik doe, is niet trendy. Ik verander modellen niet, ze zijn zichzelf op mijn foto’s. Mensen zeggen vaak dat mijn foto’s uit de jaren tachtig gisteren genomen hadden kunnen zijn. Maar het komt ook doordat het vrouwbeeld in tijdschriften en advertenties op dit moment zo vreselijk is. Er is behoefte aan een alternatief.”

Waarom is dat vrouwbeeld zo vreselijk?

„Photoshop heeft gezorgd voor een heel eng schoonheidsideaal, totaal kunstmatig en leeg. Is een been een beetje kort? O, dan maken we het toch langer. En de cosmetica-industrie geeft miljarden uit om vrouwen te laten geloven dat ze er zo uit moeten zien. Ik vind: de verantwoordelijkheid van fotografen van vandaag is vrouwen, en eigenlijk iedereen, te bevrijden van de terreur van jeugd en perfectie.”

U werkt toch ook voor grote cosmeticamerken?

„Ja, maar dat wil niet zeggen dat ik mijn mond moet houden. Over het photoshoppen heb ik geen controle. Als ik aardig wil zijn tegen mezelf, zeg ik: ‘Ik werk voor ze, want ik heb invloed en zo kan ik verandering teweeg brengen.’ Maar eerlijk gezegd doe ik het gewoon voor het geld.”

Lindbergh is een paar dagen in Rotterdam. Hij is druk met de voorbereidingen van de overzichtsexpositie die in september opent in De Kunsthal. Gisteren heeft hij ter gelegenheid daarvan voor de Nederlandse Vogue een modeshoot gedaan in de Rotterdamse haven, met het Nederlandse topmodel Lara Stone. Lindbergh is een levendige man, gekleed in zijn uniform van jeans en zwart T-shirt. Hij praat een beetje binnensmonds, met een Duits accent, en heeft er zichtbaar plezier in tegendraadse uitspraken te doen. Zoals: „Mode interesseert me niet.”

Pardon?

„Ik bewonder de creativiteit van ontwerpers, maar ik weet vaak niet eens wat ik fotografeer en ik vraag er ook niet naar. Grace Coddington [de beroemde moderedacteur van de Amerikaanse Vogue], met wie ik veel heb gewerkt, zegt: ‘Modefotografie heeft één taak: de kleding laten zien.’ Verder weg van de waarheid kun je niet zitten. Als het zo zou zijn, zou ik iets anders doen. Modefotografie moet veel meer zijn dan alleen kleding. Het type vrouw dat je laat zien, is belangrijker dan de lengte van een rok. En kleding mag niet in de weg zitten van de fotografie. Als ik last van een kledingstuk heb, vraag ik of een model iets anders kan aantrekken.”

Hoe reageert Grace Coddington in zo’n geval?

„Mijn goede oude vriendin Grace Coddington! Zij zegt tegen me: ‘Peter, je kunt deze schoenen niet uit het beeld laten, ze zijn geweldig!’ Dan zeg ik: ‘Get the fuck out of here, laat me mijn foto maken.’ Dat is agressief, maar duidelijk, en dat werkt goed bij haar.”

Hoe was de shoot met Lara Stone?

„Ik ben dol op Lara, omdat ze een beetje grumpy is. Met dat soort mensen ga je ergens heen; bij anderen stuit je op een muur van aardigheid. En ze is zo ontzettend mooi. Ze had een rode neus, een beetje een droge huid met wat vlekjes. Geweldig. Maar ja, dan wordt ze helemaal opgemaakt en is dat weg.”

Maar u heeft haar verder niet gephotoshopt?

„Ik weet niet eens hoe ik het programma moet openen. We gebruiken het wel; een assistent doet het voor me. Niet om modellen te veranderen, maar om digitale foto’s te laten lijken op de analoge foto’s die ik vroeger maakte. Digitale fotografie is onbarmhartig scherp: een paar losse haren voor een gezicht zie je al. We maken alles wat zachter, charmanter, out of focus, gevoeliger.”

U fotografeert niet zo vaak mannen.

„Mannelijke modellen zijn over het algemeen minder interessant. Ze zijn meer geconditioneerd.” Van de week zei een stylist juist tegen mij: voor experimentele modefoto’s kun je het best mannelijke modellen gebruiken. Vrouwen nemen meteen de standaard poses aan.” Lindbergh schatert en klapt in zijn handen. „Dit is grappig! Dat moet een homo zijn geweest. De mode wordt zó bepaald door homo’s. Ik heb niks tegen ze en het is ook helemaal geen probleem, maar hun blik is anders. Als homo’s naar vrouwen kijken, zien ze onderdelen: mooie benen, ogen die ver uit elkaar staan. Ik zie een gezicht.”

Als u zo geïnteresseerd bent in vrouwengezichten, waarom fotografeert u dan vooral modellen en mode?

„Mijn derde zoon fotografeert ook, hij maakt kunstfoto’s. Hij vroeg me eens waarom ik geen kunstfotograaf ben geworden. Maar dat bestond nog niet toen ik begon.”

En portretfotograaf?

„Dat zou niet genoeg zijn. Modefotografie is een heel breed terrein om in te werken. Maar het krijgt veel kritiek vanuit de kunstwereld, vooral omdat het in opdracht wordt gemaakt. Het maakt iets niet meer of minder kunst als het in opdracht wordt gemaakt – vroeger werd alle kunst in opdracht gemaakt. En dan is modefotografie maar geen kunst: dat is helemaal niet belangrijk voor me.”

Heeft u genoeg vrijheid?

„Er zijn grenzen, zeker als je voor de Amerikaanse Vogue werkt. Maar grenzen kunnen geweldige dingen opleveren; anders ga je misschien alle kanten op. En hoe vrij is een vrije kunstenaar nou helemaal? Hij doet iets wat hij kent en hij wil verkopen. En als het twee jaar niet verkoopt, verandert hij zijn stijl.

„Ik moet zeggen: hoe ouder ik word, hoe vrijer ik me voel. Ik weet wat ik doe, ik maak geen stomme fouten meer, ik heb controle. Het klinkt afschuwelijk, maar ik denk dat er op het moment niemand is die interessantere dingen doet dan ik. Misschien beter, maar niet interessanter.”

Het is geen toeval dat Lindbergh het gesprek op beeldende kunst brengt: oorspronkelijk wilde hij kunstenaar worden.

Op zijn achttiende ontvluchtte hij Duisburg, de stad waar hij opgroeide, om niet in militaire dienst te hoeven. Na acht maanden in Zwitserland, waar hij net als in Duisberg werkte als etaleur, ging hij naar Berlijn („daar hoefde je niet in dienst”). Hij volgde er avondcursussen aan de kunstacademie met als doel een voltijdsopleiding te gaan volgen, maar trof op de opleiding, „niks artistieks” aan. „Je moest twee jaar naar de natuur tekenen voordat je verder mocht. Toen ik nog maar net begonnen was, zei ik tegen een van die docenten: ‘Ik ga liever naar Arles dan dat ik naar jou luister’. En dat deed ik. Ik was helemaal gek van Vincent van Gogh; ik wilde zien hoe het landschap eruit zag dat hij daar had geschilderd en wat hij ermee had gedaan. Ik had 80 D-mark bij me. ’s Ochtends werkte ik bij boerderijen, ’s middags schilderde ik. Ik had een kamer in een huis waarvan je het dak kunt zien op Van Goghs De brug van Langlois. Ik bleef er acht maanden en ging daarna naar Spanje en Marokko. Ik was twee jaar van huis.”

Waarom ging u terug?

„Mijn moeder lag op sterven. Ze was 44 en had kanker. Ik zie het als een soort zelfmoord; ze heeft zich nooit kunnen uiten. Ze was alleen maar de moeder van drie kinderen, in een huisje van tachtig vierkante meter.”

Wat had ze willen doen?

„Ze had een groot talent en dat was zingen. Toen ik nog thuis woonde, kwam een Amerikaanse professor die zanglessen gaf naar het dorp. Ze ging naar hem toe en hij was zo onder de indruk van haar stem – ze was een alt – dat hij haar meenam naar experts in Keulen, die de beroemdste operazangers plaatsten. Die zeiden: ‘Mevrouw, als u tien jaar eerder was gekomen, zong u vanavond in de Scala in Milaan.’ Een mooi compliment en tegelijkertijd een doodvonnis. En dan terug naar dat kleine leven. Voor de oorlog had mijn vader in stoffen gehandeld, daarna verkocht hij snoep. Hij ging steeds de 25 winkels af die zijn klanten waren: vijftien van dit, zoveel van die.”

U bent tijdens de oorlog geboren in Lissa, Polen. Hoe kwamen uw ouders daar terecht?

„Toen ik het mijn vader eindelijk wilde vragen, was zijn geheugen niet goed genoeg meer. Ik weet wel dat er een programma was om Duitsers naar het Oosten te krijgen, om dat gebied meer Duits te maken. Dan kreeg je denk ik een baan, of belastingvoordeel, of een huis. Ik had heel aardige ouders die volstrekt apolitiek waren, maar ik vermoed dat ze stom genoeg waren om daarop in te gaan. Drie maanden na mijn geboorte moesten we weg omdat de Russen kwamen. Mijn moeder, mijn tante en oma, mijn broer en zus en ik, op een paard en wagen terug naar Duitsland.”

Uw vader zat in het leger?

„Hij heeft twee dagen gevochten, in Frankrijk, voor hij werd geraakt door een sniper. Hij raakte aan allebei zijn handen vingers kwijt en werd op een kantoor in Keulen geplaatst. „Een documentairemaker is een bioscoopfilm aan het maken over mijn leven. Dat klinkt indrukwekkend en dat is het eigenlijk ook wel. Hij heeft alles over mijn ouders uitgezocht, maar ik zie het pas als de film uitkomt. Hij wilde graag met mij naar mijn geboorteplaats. Maar ik wil niks te maken hebben met de film. Ik wil niet een film promoten over Peter Lindbergh, dat kleine mannetje dat geboren werd in Lissa en opgroeide in Duisburg, het ergste mijngebied van de hele omgeving.”

Hoe was Duisberg?

„Heb je Room gezien, over dat jongetje dat opgroeit in één kamer? Wat een film, heartbreaking. Zo was het. We hadden niks, maar we misten ook niks.”

Na de dood van zijn moeder ging Lindbergh alsnog naar de kunstacademie, in Krefeld. Toen hij bijna klaar was, maakte hij grote aluminium objecten in geometrische vormen. Een computer liet hij combinaties van zes tot acht van die objecten maken en zo ontstonden werken van wel drie bij acht meter. Lindbergh trok er de aandacht mee van de eigenaars van een vooraanstaande galerie uit die tijd. „Ze waren flabbergasted.”

„Maar toen las ik een stuk van kunstcriticus Klaus Honnef over een conceptueel kunstwerk – One and Three Chairs van Joseph Kosuth. Alles wat ik daarvoor had gehoord over kunst was opeens totaal belachelijk. Ik dacht: ik heb hier vier jaar voor niks gezeten.”

Hoezo?

„Er was geen enkele reden om al die dingen te maken, je kon het ook in je hoofd doen. Ik heb nog wel even geprobeerd conceptuele kunst te maken: met een vriend die bij IBM werkte, heb ik cijfercodes gemaakt van wel vijftien meter lang, maar ik voelde dat er geen identiteit in zat. Nu is dat wel altijd zo, en dat is een geweldig gevoel.”

Hoe ontdekte u de fotografie?

„Ik heb een halfjaar thuis gezeten. Toen zei iemand tegen me: ‘Blijf niet zitten denken, maar ga iets doen.’ Er woonde een fotograaf bij ons in de buurt. Zijn werk was van een laag niveau, maar hij had drie auto’s en een groot penthouse. Ik ben gaan werken bij de reclamefotograaf Hans Lux, een hele aardige man. En al snel was duidelijk dat fotografie iets voor mij was. Het is snel en je moet iets dóen – ik moet gewoon iets maken.”

In die periode nam Lindbergh, die werd geboren als Peter Brodbeck, zijn achternaam aan: hij kwam erachter dat hij dezelfde naam had als een collega met een slechte reputatie vanwege schulden. Hij is zo vergroeid geraakt met zijn zelfgekozen naam („Ik vond hem gewoon mooi en het klinkt internationaal”) dat hij zijn moeder aanvankelijk ‘Frau Lindbergh’ noemt als hij over haar praat.

Via het tijdschrift Stern belandde Lindbergh in de mode. Eind jaren zeventig vestigde hij zich op verzoek van de Franse Marie-Claire in Parijs. In de jaren tachtig werd hij benaderd door de Amerikaanse Vogue. In eerste instantie weigerde hij: de manier waarop modellen werden afgebeeld (grote kapsels, veel make-up en juwelen) stond hem niet aan. Toen hij toch overstag ging, belandde zijn foto van zes jonge modellen, onder wie Linda Evangelista, Christy Turlington en Tatjana Patitz, in witte overhemden en onderbroekjes op het strand in een lade. Anna Wintour, die zes maandan daarna hoofdredacteur werd, was wel gecharmeerd van zijn werk en haalde hem binnen als vaste fotograaf. „Toen ik in 1991 op straat wilde fotograferen in Soho, moest Wintour daarvoor aan uitgever Alexander Liberman toestemming vragen, zo afwijkend was dat.”

Zijn beroemdste foto maakte Lindbergh in 1990 voor de Britse Vogue: een groepsportret van Evangelista, Turlington, Patitz, Naomi Campbell en Cindy Crawford. De foto wordt gezien als het begin van het supermodellenfenomeen: een clubje modellen dat zich als groep presenteerde, zich zeer rijkelijk liet belonen en van wie iedereen in de jaren negentig de naam kende.

Lindbergh: „Het waren echte sterren. Tegen mij zijn ze altijd aardig gebleven. Het was zoals met een welpje dat je zelf opvoedt: dat eet iedereen op, behalve jou. Vorig jaar heb ik de foto op het strand opnieuw gemaakt, voor de Italiaanse Vogue. Giorgio Armani was helemaal weg van die foto’s, dus heb ik ook een Armani-campagne met ze gedaan. We deden een presentatie in New York en toen had iedereen het over de ‘nieuwe vrouwen’. Wat nou nieuwe vrouwen?”

Waarom werkt u bijna altijd in zwart/wit?

„Het heeft lang geduurd voordat ik daar achter was. Eerst dacht ik dat het was omdat zwart-wit per definitie een interpretatie is: kleur is echt, dat zie je door een lens. Dat klinkt goed, maar het is te intellectueel om de enige reden te zijn: zoiets kun je bedenken, maar je vóelt het niet. Toen ging ik nadenken over mijn jeugd. Waar keek ik naar toen ik jong was? Ik keek naar het werk van Amerikaanse fotografen die tijdens de depressie door het land trokken en de misère vastlegden. Er was in mijn tijd ook de zwart-witfotografie van Edward Steichen voor Vogue, maar daar gaf ik niks om.”

Er is een foto van Kate Moss in een tuinbroek voor een houten muur die erg de sfeer van de Amerikaanse depressiejaren heeft; hij doet denken aan de portretten van Walker Evans, die vaak een houten muur als achtergrond gebruikte.

„Ik heb die foto gemaakt op een boerderij op Long Island. Ik wilde hem eigenlijk maken voor een bloemetjesbehang in de keuken. Maar dat werd te druk, en dus heb ik Kate voor een schuurtje gezet. Achteraf realiseerde ik pas de overeenkomst met het werk van Evans. Als ik het zo vertel, klinkt het als een excuus. Maar als ik het expres had gedaan, zou ik hem wel als inspiratie hebben genoemd.”

U bent bijna altijd omringd door mooie vrouwen. Wat doet dat met een mens?

„Je krijgt een heel speciale relatie met schoonheid: totaal afstandelijk. Niets doet mij minder dan perfect mooie mensen. Het ergste is dat ze vanaf hun achtste voortdurend hebben gehoord hoe knap ze wel niet zijn, waardoor ze het gevoel krijgen dat ze recht hebben op allerlei dingen. Iemand heeft ook wel eens tegen een van mijn zonen gezegd dat hij zo mooi was. ‘Houd je kop en laat dat kind met rust’, zei ik.”

Hoeveel kinderen heeft u?

„Vier zonen, van twee vrouwen. Met de eerste was ik 25 jaar, met mijn huidige vrouw ben ik vijftien jaar samen.”

Geen van beiden model geweest?

„O, god, néé.”

Peter Lindbergh

Peter Lindbergh. Foto Frank Ruiter