Ontwerper Maarten Baas is deze maand ambassadeur van de Dutch Design Week. Hij werd bekend door zijn verbrande meubels. Zijn nieuwste project is een boom die over tweehonderd jaar een stoel is. “De ultieme luxe, iets maken dat er in jouw leven niet meer zal komen.”

Interview
Maarten Baas

Ontwerper Maarten Baas is deze maand ambassadeur van de Dutch Design Week. Hij werd bekend door zijn verbrande meubels. Zijn nieuwste project is een boom die over tweehonderd jaar een stoel is. De ultieme luxe, iets maken dat er in jouw leven niet meer zal komen.

Verbrande meubelen van Eames en Rietveld, het gekleide decor van VPRO Zomergasten, een klassieke staartklok met een digitaal scherm waarop de wijzer elke minuut opnieuw wordt getekend. Maarten Baas’ werk is te zien in het Rijks en het Stedelijk, in MoMa, Victoria & Albert en het San Francisco Museum of Modern Art. Zijn kopers: Brad Pitt, John McEnroe, Kanye West, verzamelaar Adam Lindemann. Zijn opdrachtgevers: Louis Vuitton, Swarovski, Dior. En dit is nog maar een selectie. Eind deze maand is hij ambassadeur van de Dutch Design Week in Eindhoven. Daar heeft hij ook gestudeerd, aan de Design Academy.

Hij woont in de binnenstad van Utrecht, alleen, maar we zitten in de tuin bij zijn atelier (een oude boerderij) in Gewande, een gehucht aan de Maas. Maarten Baas, een jongen van 38 jaar in een nauwsluitend T-shirt, zet zijn hoed af als het gesprek begint.

Je vader was predikant.

„Daar begint iedereen altijd over. ‘Je vader was dominee, oe, dan ben je zeker heel christelijk opgevoed’.”

Dat is niet zo?

„Nee.”

Je vader werd geboren in Gorinchem en opgeleid in Kampen. Dat klinkt orthodox.

„Maar hij maakte zijn studie af in Utrecht, omdat hij het in Kampen te streng vond.”

En zijn ouders? SGP?

„Dat dacht ik niet. Die van mijn moeder wel. Het gezin waar zij uitkwam, was zwaarder. Stijver vooral.”

Zij was onderwijzeres.

„Ja, en ze was degene die ons uit de kinderbijbel voorlas en vond dat we op zondag mee naar de kerk moesten, ten koste van Villa Achterwerk. ‘Kom op, jongens, één uurtje in de week.’ Mijn vader was meer een filosoof, een ietwat verstrooide, in zichzelf gekeerde denker die onder een parasol Goethe ging zitten lezen als we naar het strand gingen. Hij kon zich helemaal vastbijten in de originele Hebreeuwse teksten van het Oude Testament‘] en dan concluderen dat bepaalde woorden ook anders vertaald konden worden. Allerlei aannames op grond waarvan christelijke leefregels waren opgesteld… Laat ik het zo zeggen: dat je op zondag het gras niet mocht maaien, was aan hem niet besteed.”

En dat in Zeeland.

„In Burgh-Haamstede, ja, daar woonden we, en later in Hemmen, in de Betuwe. Met zijn ideeën streek mijn vader recht tegen de haren van zijn gemeenteleden in.”

Want hij verborg die ideeën niet?

„Had hij dat maar wel gedaan. Hij had overal en altijd problemen, the story of his life. God, moet dit gesprek over hem gaan?”

Hij was een onconventionele man en dat ben jij ook.

Afwezig: „Ja.” Na een stilte: „Toen ik vastliep op de academie, zei hij dat het misschien toch beter was om met één been op het gebaande pad te blijven.”

En daar luisterde je naar?

„Ja, ja, zeker. Mijn vader was niet zo van de wijze adviezen. Als hij het een keer deed, nam ik het onmiddellijk voor waar aan.” Hij lacht. „Maar als iemand me níet heeft voorgeleefd dat ik met één been op het gebaande pad moest blijven, was hij het wel.”

Waarom liep je vast op de academie?

„De eisen daar, het moeten kunnen duiden waar je mee bezig bent, de ratio, versus mijn zoeken naar het onbestemde, het niet-weten, de ongebaande paden. Ik heb me ook moeten losmaken van mijn eigen innerlijke criticaster, mijn eigen hang naar controle.”

Hoe is je moeder?

„Als mijn vader er weer eens een puinhoop van had gemaakt, hielp zij hem er weer uit. Een lieve, toegankelijke vrouw, diplomatiek en sociaal vaardig. Ze zag zijn kwaliteiten en stimuleerde hem daarin. Maar uiteindelijk hield ze het niet vol met hem, hij was te moeilijk. Toen ik dertien was, zijn ze uit elkaar gegaan. In dat opzicht was ook zij onconventioneel. Een domineesvrouw die gaat scheiden heeft het moeilijk. Je staat in de schijnwerper, en het hele dorp denkt dat de dominee het wel bij het rechte eind zal hebben. Het was al zo moeilijk, met vier kinderen, en als je weet hoe zij is opgegroeid, o man, zo christelijk, zo rigide.”

Hoe ging het daarna met haar?

„Mentaal was de scheiding een groot ding voor haar, maar ik ken niemand die zich uiteindelijk zo heeft weten te bevrijden als zij. Het was heldhaftig. Ze is zo ruimdenkend, ze blijft zich ontwikkelen.”

En je vader, hoe ging het daarna met hem?

„Bergafwaarts, maar of dat door de scheiding kwam, weet ik niet. Het ging al niet goed met hem. Zijn tragiek is dat hij zich altijd verzet heeft tegen rigiditeit en onderdrukking, en vond dat je frank en vrij moest leven, je talenten moest ontwikkelen, je eigen waarheid en je eigen weg moest ontdekken. Maar in zijn eigen leven kreeg hij dat niet geïntegreerd.”

Hij bleef alleen achter?

„Nee, ik ben bij hem blijven wonen. Ik dacht: mijn bed staat daar al, en we hadden allebei een gebruiksaanwijzing. We wisten precies hoe we met elkaar moesten omgaan. Mijn moeder woonde vlakbij, ik zag haar elke dag. Later begreep ik wel dat het haar veel pijn heeft gedaan.” Na een stilte: „Ze is altijd loyaal aan mijn vader gebleven, tot op zijn sterfbed. Hij was toen predikant in Schildwolde, in Groningen. Daar had hij ook grote problemen, gemeenteleden die hem de rug toekeerden en hem kwaad wilden doen.” Opeens lachend: „Gingen mensen all the way naar Groningen om hem op te zoeken, stond hij daar met de radio aan in de keuken zijn potje te koken, wijntje erbij, haha, geen enkele plichtpleging, niks van wat ze verwachtten van een dominee.”

En dat vond jij wel mooi.

„Ja, heel mooi. Je kon je gang bij hem gaan, er waren geen regels, iedereen kon blijven eten. Toen ik nog bij hem woonde, zat ik met mijn broers en onze vrienden – zwarte kleren, oorringen, lange haren – op zondagmiddag te jammen met de deuren open terwijl het hele dorp aan het wandelen was in het park naast de pastorie. Hem kon het niks schelen. Wat dat betreft verstonden we elkaar goed.”

Wat vond je moeder daarvan?

„Haar les was: vind je eigen waarheid, maar doe het in harmonie met je omgeving. Die kant heb ik ook, en die heb ik van haar.”

Op de academie verzette je je.

„Nou ja, verzetten, verzetten… Ik heb het nooit als verzet gezien, al had het er wel de schijn van. Ik kreeg het stempel van enfant terrible, maar ik vind: dan ben je iemand die alleen naar de negatieve kant kijkt, wat er allemaal niet klopt, waar je je wel tegen móét verzetten. Terwijl ik – ik had altijd iets voor ogen, ideeën die ik wilde uitvoeren. En ik begreep niet wat daar mis mee was. Mijn afstudeerwerk, het verbranden van meubelen, dat kwam rebels over, maar geen haar op mijn hoofd… nou ja, dat is overdreven… ik bedoel: het was niet rebels bedoeld. Ik dacht oprecht: mooi, de vergankelijkheid en het verstrijken van de tijd in de natuur, versus wat mensen maken en willen behouden. Hoe die twee werelden bij elkaar komen – daar zijn die verbrande meubelen een uitdrukking van. Het was niet anti iets. Ik ervoer het niet als anti.”

maarten-baas-06

Je bent nooit een rebel geweest?

„Nou ja, toen ik zestien was, op de middelbare school, toen eh…” Hij begint te lachen bij de herinnering. „Ik zat in een bandje en ik schreef me in voor het songfestival. Als je won, mocht je je liedje nog een keer spelen, en ik dacht: als ik het zo en zo doe, ik vraag de beste zangeres van school, gitaartje erbij, dan hebben we alle elementen van een winnend songfestivalliedje. En zo geschiedde. We wonnen en toen kwam de grap. We gooiden de akoestische gitaar aan de kant, ik plugde mijn elektrische gitaar in en het werd een heavy metal-concert met als enige tekst: FUCK YOU, SUCK MY DICK – tot de stekker eruit werd getrokken. Dat was de ongepolijste puberale antiversie van mezelf. Tegelijkertijd, me op het podium heffen om mijn boodschap te verkondigen, dat is wel wat ik ben blijven doen.”

Maar dan gepolijst.

„Ja, haha.”

Dat verbranden van meubelen, hoe doe je dat? Dat niet de hele handel affikt?

„Met een brander. Maar eerlijk gezegd vind ik het irrelevant, hoe iets verbrand is, of hoe iets gekleid is. Ik heb een plaatje in mijn hoofd van wat ik wil, wat ik uitgedrukt wil hebben, en ik werk samen met Bas den Herder en het team, zij maken het voor me, en hoe ze dat dan doen, en of het moeilijk of gemakkelijk is, dat is hun zaak. Meestal moeilijk trouwens, want alle machines zijn gemaakt voor rechte lijnen en als je kronkelige lijnen wilt…”

Dan heb je een probleem.

„Ja.” Hij lacht hard. Weer serieus: „Dingen moeten goed en met aandacht worden uitgevoerd, maar de techniek staat in dienst van het beeld, van het concept. Ik probeer een sfeer te maken of een gevoel over te brengen, zoals ik het zie, en het interesseert me niet zo om daar dan de dieper liggende filosofie van onder woorden te brengen. Of het interesseert me wel, maar ik kan het niet. Soms lees ik iets over mijn werk en dan denk ik: nou, zoals dat onder woorden is gebracht, petje af. Daar kan ik niet aan tippen.”

Wat lees je dan?

„Even kijken, van de week nog, eh… Het was een artikel over wachten, dat was het nieuwe luxegoed, wachten – dat vond ik sowieso al leuk – en het werd in verband gebracht met mijn nieuwste project, 200 Years, een boom die ik in een mal laat groeien en dan over tweehonderd jaar een stoel is. Als je op iets wacht dat je zelf niet meer zult meemaken, dat is geen wachten meer, dat is de overtreffende trap ervan. De ultieme luxe, iets maken dat er in jouw leven niet meer zal komen. Dan ben je los van alle tijdseenheden, las ik dus in dat artikel. Je wacht op niks en dan ben je vrij. Misschien interpreteer ik het nu wel anders dan bedoeld, maar ik dacht: o ja, interessant. Over mijn klok worden ook mooie dingen geschreven. Het uitvegen van de wijzer als de minuut verstreken is, dat laat zien dat die echt voor altijd voorbij is. Dat had ik zelf niet bedacht.”

Over de betekenis van die verbrande meubelen kun je wel goed praten.

„Toen zat ik nog op school en daar dwongen ze me om onder woorden te brengen wat ik deed. Sindsdien ben ik losser, Clay (de gekleide meubelen) was een groter statement dan Smoke (de verbrande meubelen), want er was geen concept. Het concept was dat >
er geen concept was. Gewoon kleien als een kleuter, hoppetee. De eerste keer dat ik kon doen wat ik wilde zonder me te hoeven verantwoorden.”

Kun je toch uitleggen wat je wilt vertellen met 200 Years?

„Ik wilde tijd in perspectief zetten, het belang van het individu minimaliseren en ontwerpen over mijn graf heen, in plaats van de volgende deadline halen. Je ziet de wortel van een boom die om een muurtje heen is gegroeid en je weet: die boom staat hier al eeuwen, die heeft oorlogen en meer meegemaakt, een fascinerende gedachte. Hoe ziet de binnenkant van die wortel eruit als je het muurtje weghaalt? Je hebt een afdruk van dat muurtje. Het idee was er al langer en conceptueel interesseerde het me ook, want je kunt zo eh… eh…”

Uitdrukking geven aan de vergankelijkheid?

„Het is in elk geval géén green design, daar gaat het me totaal niet om. Het relativeert onze eigen levensduur. Laat ik ervan uitgaan dat ik nog veertig jaar voor me heb, normaal ben ik heel ongeduldig, en bij dit project – ik zoom uit, wat is er over tweehonderd jaar nog belangrijk? Zeggen mensen: straks slaat over honderd jaar de bliksem in die boom van je. Dat vind ik grappig, want dat veronderstelt dat honderd jaar een lange periode is. Als ik een gewone stoel maak en daar gebeurt iets mee, dan heb ik een dag voor niets gewerkt. Is dat veel? Is honderd jaar veel? Je kunt ook zeggen: laat maar inslaan, die bliksem, dan beginnen we gewoon opnieuw.”

Waar ga je die boom neerzetten?

„Ik praat met verschillende musea, Nederlandse musea. Dan heb ik nog een beetje de garantie dat ze ervoor gaan zorgen.”

Geen commerciële koper?

„Dat kan niet, want er is nog niets. Geen mal en geen kostprijs. Misschien als ik de mal heb… ”

Je wilt er wel publiek voor hebben.

„Ja, natuurlijk, en ook dat het begrepen wordt wat ik maak. De kaarten zijn goed gevallen voor mij, want er is een markt voor mijn werk en ik kan mezelf bedruipen. Daar ben ik dankbaar voor.”

Dankbaar? Wie dan?

„Haha, dat klinkt wel christelijk ja. Maar ik weet heel goed dat het niet vanzelfsprekend is, zoals het gaat. Ik zie heel goeie ontwerpers die niet eh…nooit eh… kunnen rondkomen. En dat ligt nergens aan. Als ik meer als mijn vader was geweest, dan had ik nu misschien ook wel in een schuurtje gestaan, lassend en schurend, en scheldend dat niemand mijn werk kwam kopen.”

Herkennen mensen in jou wat wel de tijdgeest wordt genoemd?

Hij haalt zijn schouders op en vertelt over een expositie van Bas Kosters, de modeontwerper, waar tassen en T-shirts te zien waren met een mannetje erop dat een bord omhoog houdt: WEET IK VEEL. „Dat is voor mij de crux”, zegt hij. „Je hebt een demonstratie, iedereen is tegen en eentje zegt: weet ik veel. Heel mooi. Ik was bij de eerste bijeenkomst van de Akademie van Kunsten (een onderdeel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen), iedereen moest zichzelf introduceren, en daar merkte ik wel een generatieverschil tussen de ouderen die een visie hebben en theorieën waar kunst over zou moeten gaan, en de jongeren, waar ik me toe reken, die dat niet zo hebben. Wende Snijders (ook lid van de Akademie) had dat hetzelfde. Bij de jongere generatie zit meer dat zoekende. Mijn expositie in het Groninger Museum, volgend jaar, heet Hide & Seek: ik wil me verstoppen en me niet in één stijl laten drukken, maar ik ben ook altijd op zoek naar eh… ik weet niet wat. En mijn vorm van zoeken is niet: er eindeloos over lullen. Mijn vorm van zoeken is: doen. Ik ben ervan overtuigd dat mijn intuïtie wijzer is dan mijn hoofd.”

Is het cynisch, wat je doet?

„Cynisch?”

Niets serieus nemen, wat waarde heeft ontwaarden.

„Doe ik dat?”

Een stoel van Rietveld of Eames verbranden, is een vorm van ontwaarden.

„Zo bedoel ik het niet.”

Je voegt iets toe?

„Ja. Je kunt zeggen: het is ook een vorm van relativeren. Maar niet van Rietveld of Eames. Zal ik Murray Moss citeren? Die heeft de expositie van Smoke gecureerd en hij zei dat ik mijn voorvaderen had gebruikt als brandstof om zelf vooruit te kunnen. Je kunt het ook een ode noemen. Daarin herken ik me meer dan in wat jij zegt.”

Na een stilte: „Cynisch, nee, dat vind ik niet opbouwend.”

maarten-baas-03