Cultuur

Interview

Interview

Foto Andreas Terlaak

Henny Vrienten: ‘Ik ben van een fijnschilder veranderd in een impressionist’

Interview Doe Maar-zanger Henny Vrienten (68) gaat toeren met zijn grote voorbeelden George Kooymans (Golden Earring) en Boudewijn de Groot. „Bij elkaar zijn we goed voor 150 jaar Nederlandse popmuziek.”

Achtenzestig is Henny Vrienten nu. Op papier een oude man in wording. Maar in de praktijk valt dat mee. „Bij de Ziggo Dome-optredens deze zomer had ik vooraf gedacht: dit wordt meer dan ooit een kwestie van energie, van uithoudingsvermogen. Ik had banaantjes klaargelegd en energiedrankjes. Bleek totaal niet nodig. Ik heb drie uur achtereen staan dansen. Na afloop had ik niet eens een handdoek nodig. Ik denk wel eens: waar zijn de oude mannen gebleven? Je ziet ze niet meer op straat. Weet je waarom? Ze staan tegenwoordig allemaal op het podium.”

Hier, in de studio onderin zijn huis, speelt leeftijd helemaal geen rol. Terwijl Vrienten behoedzaam tussen zijn verzameling van vele tientallen glanzende instrumenten doorwandelt – rechts de gitaren, links de bassen – is hij weer even twintig. Kijk, dit is zijn nieuwste aanwinst: een exemplaar uit 1962, van het type waar Bill Wyman op speelde. Bijna verliefd strijkt hij over de ranke hals. „Gemaakt van de allerbeste materialen, van het fijnste hout, door vakmensen die het allermooiste instrument van de wereld wilden bouwen.”

Boven de vleugel hangt de gitaar die hij op zijn elfde kreeg van zijn moeder. Hij speelt er niet meer op. „Het is een martelwerktuig.” Het was destijds nog een hele uitgave voor zijn ouders. Dat vond de Tilburgse verkoper ook. „Zijn eurkes zijn groter dan zijn portemonnee.” De aankoop van een gitaar is voor hem nog steeds het meest romantische wat er is, zegt Vrienten. „Iedere gitaar herbergt toch De Droom in zich. De droom dat je op dit instrument iets zal kunnen wat je eigenlijk niet in je hebt. George (Kooymans) denkt er precies hetzelfde over. Zijn vrouw zegt ook altijd: ‘Heb je nou nog niet genoeg gitaren?’ Dan zegt hij: ‘Bijna. Nog één’.”

Vrienten moet een jaar of zeventien geweest zijn toen hij Kooymans voor het eerst zag optreden in Tilburg, als gitarist van (toen nog) The Golden Earrings. Er stond een band op het podium, maar hij zag maar één man. „Bizar om te bedenken dat hij toen even oud was als ik. Want ik zag iemand die lichtjaren van mij verwijderd was. Het was zó goed wat hij deed. Ik speelde toen ook al gitaar, maar dit was een volstrekt andere divisie.” In diezelfde tijd zag hij Boudewijn de Groot optreden. „Boudewijn is voor mij altijd een held gebleven. Die man heeft nog nooit iets slechts gemaakt.” Dat ze nu met z’n drieën op toernee gaan met Vreemde Kostgangers is voor Vrienten dan ook geen werk. „Dit is hobby. Voor mij zijn George en Boudewijn echte iconen, met wie ik ben opgegroeid. Bij elkaar zijn we goed voor 150 jaar Nederlandse popmuziek.”

Lijkt het spelen met hen op het spelen met Doe Maar?

„Nee. Het spelen met ons oude bandje is een credo, een gezamenlijke geloofsovertuiging: ‘Zo moet dat. Zo speel je bas, en dit doe je op de gitaar’. Sowieso is reggae een heel sociale muzieksoort; iedereen heeft zijn eigen tel. Bij Vreemde Kostgangers heb je te maken met drie credo’s, met drie manieren van liedjes schrijven en performen. Je kunt niet varen op routine. Dus we repeteren heel veel, luisteren naar elkaar. En we genieten vooral heel erg. Als ik ‘Just a little bit of peace in my heart’ van George speel, denk ik: ‘Wow, dit zit zo verdomd goed in elkaar. Die akkoorden, die brug… Waarom ben ik daar nooit op gekomen?’ Er is tussen ons geen enkele competitie. Als ik Boudewijn soms tijdens het spelen naar George zie kijken, dan zie ik: ‘Die houden van elkaar’.

Ik ben van een fijnschilder veranderd in een impressionist.

„Boudewijn is echt een voorbeeld voor mij. Bij hem is er niks koket. Hij is heel streng in de leer, speelt ook consequent geen oude hits. Bij hem is er altijd een heel grote verbintenis tussen tekst en muziek. George is juist een echte rocker. Die begint vanuit een gitaarriff, en daar smeedt hij vervolgens zijn lied omheen. En ik zit daar ergens tussenin. Liedjes schrijven is bij mij knippen en plakken. Je kunt er heel romantisch over doen, maar soms lijkt liedjes schrijven verdacht veel op wérk. Gisteren heb ik de hele dag aan een scène voor een film gewerkt. Het ging niet zoals ik wilde. Aan het eind van de middag luisterde ik het terug. Ik vond het nog steeds niet goed. Althans, niet passend bij die scène. Dan zit er maar één ding op: met je vinger naar de knop ‘delete’ en opnieuw beginnen.”

Hij werkt niet meer de hele dag. ’s Morgens brengt hij zijn jongste zoon van negen naar school – Vrienten heeft vijf kinderen uit twee huwelijken – en pas daarna gaat hij aan de slag. Tot een jaar of tien geleden ging hij altijd maar door. „Ik was zo’n idioot die vond dat hij altijd moest werken. ’s Avonds, ’s nachts, met Kerstmis. Ik hield maar niet op. Totdat opeens de stoppen doorsloegen. Het was op. Ik kón niet meer. In één keer liep ik leeg als een ballon. Mijn vrouw kwam de kamer binnen, zag mij zitten op de bank en wist het meteen: ‘Dit is helemaal mis’. Ik zat middenin een filmproject. Dat heb ik stop moeten zetten, net als alle andere projecten die uitstonden. Ik heb een vol jaar niet gewerkt. Er kwam gewoon helemaal niks meer uit mijn handen. Eerst denk je: ‘Dit is het einde van de wereld’. Natuurlijk is dat niet zo. Alles draait gewoon verder zonder jou. Ik durfde er met niemand over te praten. Ik schaamde me kapot dat mij dit overkwam, dat ik het zover had laten komen dat ik nu dus ook aan die modeziekte – ‘burn out’ – leed.”

Sindsdien werkt Vrienten nooit meer ’s avonds of ’s nachts. Scheppen is mooi, maar alleen nog tijdens kantoortijden. „Om vijf uur gaat er een lekker flesje wijn open. Dan gaan we koken en met de kinderen zitten. En de weekends en de vakanties hou ik vrij. Dat is echt een heel ander leven.” Of hij nu ook ander werk maakt? Hij denkt heel lang na, en zegt dan: „Ik ben losser geworden, losser in alles. Ik ben van een fijnschilder veranderd in een impressionist.” Maar het moet nog steeds wel goéd. Laatst zei een vriendin, toen hij haar vertelde over zijn volle agenda: ‘Maar een zesje mag toch ook weleens?’ Vrienten schudt meewarig het hoofd. „Dat kan ik niet. Dat accepteer ik gewoon niet van mezelf.”

De mening van het publiek is nooit een maatstaf geweest, ook niet in de Doe Maar-tijd. „Ik schreef voor mijn vrienden in de band. Nooit voor het publiek. Echt nooit. Het enige wat telde was: wat vinden de jongens ervan? Dat je die liedjes op een dag dan ook gaat uitvoeren hoort erbij. Maar daar is het nooit om gegaan. Al is dat uitvoeren wel heel erg leuk. Toen we met ons oude bandje in de Ziggo Dome stonden, voelde het weer net als vroeger. Terwijl we bijna zeventigers zijn. Ik wilde graag veel liedjes spelen die we niet eerder hadden uitgevoerd. Want hoe ging dat? Je zette veertien liedjes op een plaat. Een paar liepen live direct als een trein. Maar er waren er ook altijd een paar bij die te moeilijk waren om uit te voeren. Liedjes als ‘Macho’, ‘Te Laat’ en ‘Nix Voor Jou’ speelden we daarom nooit. Onze techniek is zoveel beter geworden dat dat nu wel kon. Het voelde weer helemaal als toen. Ik zong als man van 68 ook gewoon weer ‘32 Jaar’. Het wordt heel vervelend als je zo’n lied gaat aanpassen. Je moet respect hebben voor wat je toen maakte. En toen was ik die jongen die elke dag opnieuw verliefd werd.”

Statistisch gezien is een van ons over vijf jaar toe aan een hersenbloeding of hartaanval.

Waarom speelden jullie niets van jullie reünie-album Klaar (uit 2000)?

„Ik vind dat geen Doe Maar-plaat, maar een plaat van twee vijftigers die heel goed liedjes kunnen schrijven. Ernst (Jansz) heeft thuis de helft geschreven en ik thuis de andere helft. Dat hóór je. Vroeger maakten we liedjes samen. Je had thuis een paar regels bedacht die je daarna in de toerbus speelde. Dan begon er vanzelf iemand een tweede stem mee te zingen. Als we ’s avonds op het podium stonden zei Ernst: ‘Zullen we dat nieuwe liedje even proberen?’ Bijna alles wat we maakten kwam voort uit spelen in de bus, in het repetitielokaal en tijdens soundchecks.”

Is er nog nieuw Doe Maar-werk te verwachten?

„Dat denk ik niet. Toen we die platen maakten stonden we middenin het leven. We waren jongemannen die huishielden op de jachtvelden, in kroegen en op feesten. Het klotste echt van de testosteron. Als ik nu die teksten lees, denk ik: ‘Hoe kónden we het roepen!’ Zo’n zin als ‘doe maar net alsof je neus bloedt’, waarin we de politiek even de maat namen. Want wij wisten namelijk precies hoe het zat. Nu denk ik: ‘Ventje, waar héb jij het over?’ Maar hoe minder je weet, hoe harder je schreeuwt.”

In de documentaire Dit is alles, over Doe Maar, zit een wat pijnlijke scène waarin het gaat over wie de drijvende kracht achter de beste Doe Maar-liedjes was. Jij weigerde op een gegeven moment om Ernst nog te helpen bij zijn liedjes. ‘Doe het dan maar helemaal alleen als je denkt dat je het zonder mij kan.’

„Ik denk dat Ernst zal beamen dat het echt zo ging. Ik ga zitten en het begint direct te stromen. Dan kan ik mijn mond dus niet houden. ‘Nee joh, dat akkoordje moet niet in Gis maar in G!’ Ik was soms echt vreselijk. Een opgewonden standje. Pas veel later ben ik gaan inzien wat ik allemaal van Ernst heb geleerd. Ik kijk nu met andere ogen naar zijn werk van vroeger, zie nu pas hoe vreselijk goed het is. Vroeger speelde ik zijn liedjes lang niet altijd met plezier. Ik vond het zwijmelwerk. Veel te romantisch en te klef. Dat mocht niet van mij. Ik vond dat je nooit moest laten merken wat je voor iemand voelde. Dat kon alleen verpakt in ironie. Het moest gaan over de harde kanten van de nacht. ‘Nachtzuster’ is zo’n liedje. Het gaat over een seksueel verlangen. Je wilt dat die nachtzuster je vasthoudt. Niet omdat je bijna doodgaat, maar omdat je haar een aantrekkelijke vrouw vindt. Inmiddels kan ik zonder ironie voluit in een liedje laten horen dat ik van iemand hou. Ik durf me meer dan ooit te laten zien.”

Daarom rekent hij de twee soloplaten die hij vorig jaar maakte ook tot zijn beste werk. Het zijn echte ‘omkijkplaten’, over waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Neem dat liedje over die oude poppenspeler. „Ik woonde lang tegenover die man, die vroeger heel beroemd was. Ik zag hem bijna elke dag voorbij schuifelen. Dat ging steeds minder soepel. Op het laatst stond-ie alleen nog maar voor het raam. Ineens besefte ik hoe dat gaat; je wordt langzaam uit het leven geduwd. Je komt een café binnen… je herkent de muziek niet meer en niemand ziet je nog staan. Dat herken ik. Als ik op straat loop met mijn zoon kijken ze alleen nog om voor hem. Dat is de cyclus van het leven. Als je muziek maakt stribbel je nog even tegen, maar uiteindelijk overkomt het je toch. Dat kan heel surrealistisch zijn. Als ik de hele dag in mijn studio zit te werken kom ik in een roes. Dan verdwijn ik in mijn hoofd en ben weer die jongen van achttien. Als ik dan even naar het toilet loop, schrik ik me rot van de spiegel. ‘Huh? Wat doet die oude vent hier?’ Het spelen gaat nog steeds soepel en dynamisch. Maar als je vroeger een liedje hoorde, speelde je dat een keer na en het zat in je kop gebeiteld. Nu moet ik het zestig keer doen. Maar het inzicht is wel veel groter. Als ik een baspartij ga opbouwen weet ik vooraf al precies hoe ik dat ga doen. Daar ben ik nu veel beter in.”

Dat leeftijd geen beletsel hoeft te zijn zag hij vorig jaar met eigen ogen bij Paul McCartney. Vrienten was sprakeloos van bewondering. „De eerste plaatjes die ik in de Marconistraat in Tilburg op ons gammele pickupje legde waren van The Beatles. En dan staat die man van 73 dat daar voor je ogen even te zingen. Bij Bob Dylan heb je meestal pas na drie minuten door welk liedje hij speelt. McCartney is heel precies: dat ene gitaarriffje hoort op precies die ene plek. Ik ben in het openbaar geen huiler, maar dit ontroerde me diep. En wat ik zo mooi vond is dat hij elk nummer op een andere gitaar speelt. Hij zei: ‘Als jullie je afvragen waarom we steeds op andere gitaren spelen: dat is omdat we ze hébben en omdat we graag willen opscheppen.’ Hij is het elixer van al die popliedjes waar ik mee ben opgegroeid. Laat mij een liedje van wie dan ook horen en ik toon je wat de invloed van de Beatles is. Je hoort altijd wel een overgang waarbij je denkt: ‘Hé, McCartney!’ De Beatles zijn zo invloedrijk geweest. Veel meer dan de Stones. Die spelen drie akkoorden. Doen ze heel goed, hoor. Maar het blijft toch een wonder dat ze zich niet vervelen.”

Paul McCartney kan dat dan nog steeds onbekommerd doen; toeren met liedjes van vele decennia geleden, voor Doe Maar gelden andere wetten. Af en toe een paar optredens is mooi, maar zeker niet elk jaar. „We zijn voor allerlei popfestivals gevraagd, maar ik denk niet dat we dat doen. Je kunt zeggen: zoveel heb je niet meer uit te stellen. Statistisch gezien is een van ons over vijf jaar toe aan een hersenbloeding of hartaanval. Maar je moet niet in de val lopen dat je het succes per se wilt blijven continueren. Doe Maar staat voor een heel andere tijd in mijn leven. Het was een periode van extreme schittering. Dat evenaar je nooit meer. Van Virus gingen op de eerste dag 365.000 platen over de toonbank. Nu verkoop ik twee cd’s per dag. En dat is óók mooi. Als ik de rest van mijn leven had afgemeten aan die vier jaar met Doe Maar had ik het al die andere jaren met een mager vijfje moeten doen.”