Hoe dekoloniseer je de bibliotheek?

De stemming

In Den Haag ging het deze week over Nederlands-Indië en Zwarte Piet. NRC zoekt het debat in het land op. Deze week: zwart verzet op de VU. “In Nederland werpt racisme een obstakel op voor onze zelfontplooiing”

©

De revolutie kan ook beginnen op driehoog aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam. Op de zolder van het Hugo Olijfveldhuis trekt Mitchell Esajas een exemplaar van Wij slaven van Suriname van Anton de Kom uit de kast. Nog een maand of drie schikken en sorteren en de ‘Black Archives’ kunnen open: een bibliotheek van voornamelijk zwarte schrijvers over het koloniale verleden, de slavernij, racisme en emancipatie.

We praten met Mitchell Esajas, Maurice San A Yong en Jessica de Abreu, drie twintigers die behalve hun Surinaamse achtergrond ook een studie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam gemeen hebben: antropologie en geschiedenis. Esajas is nu studieadviseur aan de UvA. Student San A Yong is overgestapt naar Leiden. De Abreu heeft twee studies afgerond en denkt na over een wetenschappelijke carrière. Misschien moet ze daarvoor uitwijken naar het buitenland, zegt ze.

‘Het zijn enge tijden’

Kan dat dan niet in Nederland? „Het zijn enge tijden”, zegt De Abreu. Het is de dag dat de Kinderombudsman concludeerde dat Zwarte Piet „in zijn huidige vorm” discriminatie van kinderen van kleur bevordert – en nog diezelfde dag komen doodsbedreigingen bij haar binnen.

Het is de week dat een onderzoeker bekendmaakte dat de Nederlandse overheid bewust extreem geweld gebruikte in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Het is de maand dat minister Schippers in een rede zei: „Alle culturen zijn helemaal niet gelijkwaardig (…) De onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken.”

‘Onze cultuur’, daar twijfelen de drie niet aan, is: witte cultuur. „Wat men zegt is: integreren. Wat men bedoelt is: assimileren”, zegt San A Yong. Tussen zeggen en bedoelen is in Nederland altijd een subtiel maar essentieel verschil. Netelige kwesties toedekken, typisch Nederlands. Het vloeit allemaal voort uit het „gewelddadige koloniale verleden”, zegt Esajas.

Aan de VU ging het rommelen

Aan de VU ging het een jaar of vijf geleden rommelen. Er studeren relatief veel niet-witte Nederlanders, maar Esajas zegt dat nog altijd „studenten, staf en curriculum geen afspiegeling zijn van de samenleving”. Als New Urban Collective organiseerden ze debatten onder het motto ‘decolonize the university’ Sandew Hira, co-auteur van 20 vragen en antwoorden over het Nederlandse slavernijverleden en haar erfenis, wierp Gert Oostindië, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, voor de voeten dat hij ideologie in plaats van wetenschap bedreef.

Een studente betichtte in een debat de afdeling Oude Geschiedenis van eurocentrisme, waar men niet wilde inzien dat de oude Egyptenaren zwart waren geweest en „een (enorme!) bijdrage aan de westerse civilisatie” hadden geleverd.

De Black Archives moeten het hiaat dichten in de kennis over het koloniale verleden. In de kasten – gegrond op de 2.000 boeken die socioloog Waldo Heilbron naliet – staan titels die in geen universiteitsbibliotheek te vinden zijn. „Elk boek van Gert Oostindië of Piet Emmer wordt in de krant besproken. Van Sandew Hira is nog nooit een boek besproken.” Ligt dat niet aan zijn boeken? Nee, vinden zij, Hira wordt afgewezen om ideologische redenen.

Door de collectie van Heilbron en het archief van Otto Huiswoud, een Surinamer die aan het begin van de vorige eeuw naar New York trok om daar lid te worden van de communistische partij, kregen Esajas, San A Yong en De Abreu zicht op een lange traditie van zwart verzet.

Esajas vertelt hoe zijn moeder, geboren in een dorpje in Coronie, haar mond moest spoelen met zeep als ze Sranang Tongo sprak. Slaventaal, zeiden haar ouders. Die generatie werd opgevoed met het begrip saka fasi, nederigheid – vooral ten opzichte van witte autoriteiten.

Haar moeder, zegt De Abreu, was niet nederig, maar ze zweeg over racisme om haar dochter er niet mee te belasten. „Maar op een dag stuit je toch op de waarheid.” De waarheid? Dat studeren niet voldoende is, zegt San A Yong. „Mamma, ik heb mijn bachelor gehaald – maar het is niet genoeg. Ik heb mijn master gehaald – maar het is niet genoeg. Ik hoor er nog altijd niet bij.”

„In Nederland werpt racisme een obstakel op voor onze zelfontplooiing”, zegt Esajas. Politieke partijen hebben hem ook weinig te bieden. DENK, misschien. ,,Maar die worden gemarginaliseerd.” En zo zijn we terug bij de twijfels van De Abreu, in haar bètaklas vroeger het enige donkere meisje. Kan ze wel carrière maken in de Nederlandse academische wereld met alle gevestigde witte belangen?

Zo slingeren ze heen en weer tussen optimisme en verbetenheid. Tussen verbinden en verzet, begrippen die ze zelf steeds noemen. Dan zegt San A Yong dat de strijd met de gevestigde orde wel eens „smerig” kan worden. Dan zegt De Abreu weer: „Het zijn de groeipijnen van Nederland.” Esajas constateert droogjes dat hij de ene dag wordt aangehouden bij een demonstratie tegen Zwarte Piet, en de volgende dag college geeft.

Ze willen niet wachten tot de universiteit is gedekoloniseerd. Ze willen zelf aan de slag. Esajas trekt zijn lievelingsboek tevoorschijn. Life and Lessons van Marcus Garvey, pionier van de burgerrechtenbeweging in de VS. Eerste hoofdstuk: Intelligence, education, universal knowledge and how to get it.