Graven bij de Via Appia

Reportage Archeologie Bij de Via Appia in Rome brengen Nijmeegse onderzoekers graven in kaart. Soms vinden ze een schedel die is bedekt met scherven, „soms ook nog met een muntje in de mond”.

De Via Appia in Rome, in de vroege ochtend Foto Theo Toebosch

Het is zeven uur in de ochtend. De zon zet de Vijfde Mijl van de Via Appia in Rome in een gouden gloed. De grote basaltblokken in het kaarsrechte wegdek, de ruïnes, de slanke cipressen en de uitwaaierende pijnbomen, het komt allemaal bekend en vertrouwd voor. Alsof het altijd of in ieder geval al heel lang zo is geweest. Maar Mapping the Via Appia, een interdisciplinair onderzoeksproject van de Radboud Universiteit in Nijmegen waarbij het gebied tussen de Vijfde en Zesde Mijl met verschillende onderzoekstechnieken in kaart wordt gebracht en wordt gereconstrueerd, maakt duidelijk dat wat je ziet meerdere tijdslagen door elkaar zijn. „De weg kent een biografie van meer dan tweeduizend jaar”, vertelt archeoloog en projectleider Stephan Mols. „De nu zo kenmerkende bomen dateren bijvoorbeeld pas uit het begin van de twintigste eeuw, toen de Via Appia onderdeel werd van een passeggiata archeologica, een archeologische wandelweg. In de Romeinse tijd was het hier kaal, met aan weerszijden van de weg alleen maar heel veel grafmonumenten.”

De weg heeft zijn naam te danken aan consul Appius Claudius Caecus, die in 312 voor Christus, tijdens de Tweede Samnitische Oorlog, een begin maakte met de weg, om snel troepen naar het zuiden te kunnen verplaatsen. Ruim een eeuw later werd de weg verlengd naar Brindisi aan de zuidoostkust en werd hij ook gebruikt voor handelstransporten. „De Romeinen gebruikten de weg ook om er hun doden te begraven”, zegt Mols. „De oudste graven liggen het dichtst bij de stad zelf. ‘Onze’ mijl heeft een concentratie van graven uit de tweede en derde eeuw.”

Sinds 2009 zijn de Nijmeegse archeologen bezig om met hulp van tien tot twintig studenten restanten van grafmonumenten in kaart te brengen. Dat gebeurt onder meer door systematisch de weg af te lopen. Soms blijken brokstukken begroeid te zijn. „Tot nu toe hebben we tussen de Vijfde en Zesde Mijl, een afstand van ruim twee kilometer, 2.526 objecten geteld, die samen goed zijn voor 1.377 grafmonumenten.”

Livius

Er wordt ook gegraven, om precies te zijn bij de noordelijke van twee naast elkaar liggende grafheuvels. Ze staan bekend als ‘de Tumuli van de Horatii’.

Christel Veen, tevens Mols’ echtgenote, leidt hier de opgraving. „De grafheuvels danken hun naam aan een verhaal van de Romeinse geschiedschrijver Livius”, zegt Veen. Livius vertelt over een oorlog tussen Rome en Alba Longa (7de eeuw voor Christus), die is beslist door een duel tussen twee drielingen, de Horatii aan Romeinse kant en de Curiatii aan de andere kant. Dat gevecht is gewonnen door een van de Horatii. „Volgens Livius zijn ter plekke twee graven opgericht voor de twee gesneuvelde Horatii en iets verderop, richting Rome, drie voor de Curiatii.”

Veen wijst naar het noorden. „Daar ligt een grafheuvel die de tumulus van de Curiatii wordt genoemd.” Ze denkt niet dat de heuvels echt de graven zijn geweest van de Horatii en Curiatii. „Deze twee tumuli dateren gezien het gebruikte materiaal zeker niet uit de zevende eeuw voor Christus, maar uit een latere periode. In theorie is het nog mogelijk dat ze in de tijd van Livius om politieke redenen zijn omgedoopt tot de tumuli van de Horatii.”

Rondom de tumulus zijn in totaal vijftien cippi gevonden, kleine vierkante zuilen. Veen: „In drie zit bovenop een gat en dat wijst erop dat daar iets op heeft gestaan. Het is verleidelijk om aan te nemen dat het beelden van de drie Horatii waren, maar voorlopig gaan we daar maar niet van uit. Waarschijnlijk waren dit de graven van twee ons onbekende personen, zeg maar een ‘Henk de Vries’ en zijn vrouw. Aan een andere uitvalsweg, de Via Salaria, lag een vergelijkbare grafheuvel, maar dan anderhalve keer zo groot, en die was getuige een inscriptie van ene Lucilius Paetus. Van hem weten ook niet veel meer, maar hij was blijkbaar wel rijk en belangrijk genoeg om zo’n groot grafmonument te laten bouwen.” Bij de tumuli aan de Via Appia hebben ze de dag ervoor ook een inscriptie gevonden. „Maar met slechts één letter, de M; te weinig om iets te kunnen zeggen over de tekst of om ermee te kunnen dateren.”

Grote thermen

De archeologen kunnen wel al zeggen dat ook het omringende landschap druk in gebruik is geweest. Tegenover de tumuli liggen de zichtbare resten van de Villa van de Quintilii, twee broers die in de tweede eeuw een enorm complex lieten bouwen. „De thermen waren groter dan die van Romeins Nijmegen”, weet Mols. Maar door geofysisch onderzoek met magneto- en weerstandsmeters is duidelijk geworden dat er elders nog meer resten van grote gebouwen in de grond zitten. „Schuin tegenover de Villa van de Quintilii ligt een gebouw met zuilengalerijen en een oppervlakte van 60 bij 107 meter. Het lijkt op een kazerne van de brandweer, zoals die ook bij de havenstad Ostia is gevonden. Verderop zijn cisternes, zijwegen en andere grote complexen gevonden.” Opgraven zit er echter niet in. „De weg is staatsgrond, maar erachter is het allemaal privéterrein.” Begraven aan de Via Appia was in het begin alleen voor de elite en streng gereguleerd, vertelt Mols. Hij wijst op enkele kleine blokken langs de kant. „In Romeinse voeten staat aangegeven hoe breed en hoe diep een bepaald grafmonument mocht zijn. Bij enkele monumenten hebben we het kunnen verifiëren en het klopte precies.”

Vanaf de derde eeuw zijn tussen de met marmer beklede monumenten ook arme mensen begraven. Achter de ‘Tumuli van de Horatii’ hebben de archeologen bijvoorbeeld het graf gevonden van een tienjarige. „In een ondiepe kuil, het gezicht bedekt met de scherven van een grote amfoor. Zo hebben we er meer gevonden, soms ook nog met een muntje in de mond”, vertelt Veen. In diezelfde periode is een werkplaats met een mozaïekvloer aan de voorzijde van de noordelijkste van de twee tumuli omgebouwd tot een klein grafmonument. „Er is een muur toegevoegd. In het afgeschermde deel hebben we offergiften gevonden.”

Bij de opgraving hebben de archeologen ook ontdekt dat een groot deel van de versierde tufstenen bekleding van de tumulus met grof geweld in stukken is gehakt. Veen: „Dan ga je denken aan de plundering van Rome door de Visigoten in 410 of de Vandalen in 455, maar daar hebben we nog geen bewijzen voor gevonden, zoals Gotische munten.”

Vanaf de Middeleeuwen trad het verval in. Grafmonumenten werden van hun marmeren bekledingen ontdaan of omgebouwd tot kleine kasteeltjes. In 1851 gaf paus Pius IX archeoloog en architect Luigi Canina opdracht om de Via Appia te restaureren. „Wat we nu aan monumenten zien, is vooral het resultaat van zijn werk. Hij heeft verschillende fragmenten en monumenten opgegraven en er een soort folly’s [decoratieve bouwsels, red.] van gemaakt”, zegt Veen. De tumuli waar de Nijmegenaren nu opgraven heeft hij naar Etruskisch voorbeeld zes meter opgehoogd. „Hij stelde ook dat dit de door Livius genoemde graven van de Horatii waren. In het begin dacht ik: wat raar, want zo oud zijn ze niet. Later begreep ik dat hij er zelf in wilde geloven, of in ieder geval wilde dat de mensen er in zouden geloven. Italië bestond toen nog niet, maar Canina en het Vaticaan hoorden bij de partijen die een verenigd land wilden, en daarbij paste een heroïsch monument uit het Romeinse verleden.”

Mols en zijn team besteden ook aandacht aan de Via Appia in de moderne tijd, aan de bomkraters uit de Tweede Wereldoorlog achter de weg, de ruiming van mijnenvelden, de ‘maffia van de Via Appia’ die in de jaren vijftig vrijwel alle overgebleven Romeinse beelden heeft geroofd, de brokjes asfalt die herinneren aan de tijd dat de weg voor het verkeer een ‘racebaan’ is geweest, het ‘herstel’ in oude glorie voor de marathon van de Olympische Spelen van 1960, rijke Romeinen als vleeswarengigant Fiorucci die nu villa’s aan de weg bezitten, en actrice Sophia Loren die op dezelfde schaduwrijke plek lunchte als waar de archeologen nu pauzes houden. „Ze is niet de enige geweest. We hebben champagneflessen en oesterschelpen opgegraven, maar ook Coca Colaflesjes die teruggaan tot 1915.”

Nog opvallender was de vondst van auto- en scooteronderdelen achter de twee tumuli. „De overblijfselen van verzekeringsfraude, waarbij auto’s en scooters als gestolen zijn opgegeven, bruikbare onderdelen zijn verkocht en de rest is begraven. Nu branden ’s nachts twee felle lampen achter de tumuli om dit soort activiteiten tegen te gaan.”

Tegenwoordig maakt de Via Appia deel uit van een autoluw archeologisch park (3.400 hectare). Toeristen te voet en te fiets trekken voorbij de opgraving. „Wie weet lopen ze in de toekomst met speciale brillen waarmee ze dankzij apps onze reconstructies kunnen zien.”