Eerlijker sparen onder een ton

Vermogensbelasting Vermogen levert nauwelijks nog iets op. Toch gaat de fiscus uit van een rendement van 4 procent. Dat systeem gaat op de schop, maar niet in ieders voordeel.

Het kan dus toch. Legde staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën, VVD) een jaar geleden nog omstandig aan de Tweede Kamer uit dat het vaststellen van rendement op vermogen door zijn Belastingdienst niet uitvoerbaar is, inmiddels ziet hij mogelijkheden. „In beginsel,” schreef hij op Prinsjesdag aan de Kamer, „lijkt een betere belasting van het werkelijke rendement mogelijk.”

Een betere vermogensbelasting, en vooral eerlijker, is al een tijd de wens van politici en belastingdeskundigen. Het huidige systeem van de vermogensrendementsheffing is omstreden sinds in 2008 de financiële crisis uitbrak. De vastgoedmarkt was ingestort, aandelen rendeerden nauwelijks en de rente is tot bijna nul gedaald. En toch blijft de fiscus ervan uitgaan dat iedereen jaarlijks een rendement van 4 procent op zijn spaargeld en beleggingen haalt. Op dit fictieve percentage wordt vervolgens 30 procent vermogensbelasting geheven.

Deze vermogensrendementsheffing van praktisch 1,2 procent (4 procent van 30 procent) leidt tot toenemende ergernis over onrechtvaardige aanslagen. Neem de particuliere klanten van ABN Amro die afgelopen week weer eens een nieuw bericht van renteverlaging op hun spaartegoeden kregen. Het tarief voor het product Direct Sparen – ‘Mooie rente en toch alle vrijheid’, luidt daarvan de marketinglokroep – daalt naar 0,30 procent.

Rekenvoorbeeld

Een klant met een saldo van 50.000 euro op zijn spaarrekening krijgt bij ABN Amro voortaan dus op jaarbasis 150 euro aan rente. Maar de Belastingdienst gaat ervan uit dat die spaarder liefst 2.000 euro van de bank ontvangt. Na aftrek van de vrijstelling voor de eerste 21.330 euro wordt daar dan 30 procent belasting op geheven. Dat komt neer op een aanslag van 344 euro – ruim tweemaal zoveel als het werkelijk behaalde rendement van 150 euro.

Dit verschil loopt liniair op als het spaarsaldo hoger ligt. Iemand met 100.000 euro op zijn Direct Sparen-rekening krijgt een rente van 300 euro en een aanslag vermogensbelasting van 944 euro. Voor miljonairs is het nog erger. Een rentevergoeding van 3.000 euro; een aanslag van 11.744 euro. Boven de 1 miljoen euro, schreef ABN Amro deze week aan zijn klanten, wordt helemaal geen rente meer vergoed.

Omdat iedereen wel ziet dat het fictieve rendement van 4 procent als basis voor vermogensbelasting verre van eerlijk is, gaat het systeem op de schop. Dat wil ook het kabinet. Maar omdat de gedroomde vermogensbelasting op basis van het werkelijk behaalde rendement volgens de Belastingdienst nog altijd niet helemaal mogelijk is, bedacht staatssecretaris Wiebes een overgangssysteem. Dit „tussenstation” gaat in het nieuwe jaar van kracht.

Het wordt er niet eenvoudiger op en ook niet per se eerlijker. De Belastingdienst gaat ervan uit dat het rendement op vermogen hoger is naarmate dat vermogen groter is. Wie meer dan een ton heeft, zal niet alles op de bank hebben staan, maar een deel hebben belegd in aandelen, obligaties en vastgoed. En dat soort effecten rendeert beter, zo is de gedachte, dan ‘stilstaand’ spaargeld.

Zo komt de Belastingdienst tot drie schijven voor het heffen van vermogensbelasting, met elk een eigen fictief rendement waarover steeds het (onveranderde) tarief van 30 procent wordt geheven. Voor de eerste schijf, tot 100.000 euro, geldt een fictief rendement van 2,87 procent (en dus een de facto-tarief van 0,86 procent); tussen een ton en 1 miljoen aan vermogen ligt het fictieve rendement op 4,60 procent (de facto tarief op 1,38 procent) en in schijf 3 van meer dan 1 miljoen euro aan vermogen wordt met een rendement van 5,39 procent gerekend (tarief: 1,62). Daarnaast wordt de belastingvrijstelling verder verhoogd, van 21.330 euro in 2015 tot 25.000 euro.

Conclusie: hoe lager het vermogen, hoe groter het voordeel van het nieuwe schijvensysteem. Het omslagpunt ligt rond de drie ton.

Rekenvoorbeeld

Wie 125.000 aan vermogen heeft (ongeacht of dat nu louter spaargeld is of deels uit beleggingen bestaat) betaalde vorig jaar 1.244 euro vermogensbelasting, en na 1 januari in het nieuwe systeem 991 euro. Een fiscaal voordeel van 253 euro. Iemand met een vermogen van 270.000 betaalde vorig jaar 2.984 euro en straks met 2.992 euro íétsje meer.

Gerelateerd aan de spaarrente die bij vrijwel alle banken onder de 1 procent ligt, blijft de basis voor de nieuwe vermogensbelasting natuurlijk hoger dan het werkelijk behaalde rendement. Wie die 250.000 euro tegen 0,30 procent op de bank heeft staan krijgt daar 750 euro rente op, eentiende van de afdracht die hij straks aan de fiscus moet doen. Het financiële onrecht is er ook als we de nieuwe fictieve rendementen die de Belastingdienst hanteert relateren aan de magere rendementen op de aandelenbeurzen. De Amsterdamse AEX staat sinds begin dit jaar met horten en stoten op een winst van 1 procent.

Op termijn wordt alles anders, belooft Wiebes in zijn recente brief aan het parlement. Op z’n vroegst in 2019, gesteld dat het volgende kabinet en de nieuwe Tweede Kamer ermee instemmen, zou de grondslag voor vermogensbelasting op werkelijk behaalde rendementen kunnen worden bepaald. Maar ook hier zitten haken en ogen aan.

Een nieuw systeem, schrijft Wiebes, „zal altijd hybride zijn”, want van niet alle vermogensbestanddelen is het werkelijke rendement zo gemakkelijk te bepalen. Wel van spaartegoeden – dat kunnen commerciële banken zo uitdraaien. Maar van aandelen, obligaties en andere effecten is dat lastiger. En van vastgoed – denk aan huurinkomsten en de kosten van onderhoud – is het rendement alleen bij de belastingplichtige zelf precies bekend. Om dat volledig en exact te „ontsluiten” is ondoenlijk. Dus blijft de staatssecretaris bij vermogen dat bestaat uit onroerend goed voor een forfaitaire benadering: op basis van een fictief rendement.

Voor het bepalen van het rendement op een beleggingsportefeuille zijn er twee mogelijkheden: de zogeheten vermogensaanwasbelasting en de vermogenswinstbelasting. Het zijn „slechts een paar letters,” schrijft Wiebes, „maar er zit een wereld van verschil tussen.” In het kort: bij de eerste wordt een koersstijging van een aandeel aangemerkt als rendement en dus ook belast. Bij de tweede gebeurt dat pas als die koerswinst ook daadwerkelijk verzilverd is – bijvoorbeeld bij verkoop van het aandeel.

Ontwijking ligt op de loer

Aan beide kleven evidente nadelen. In het eerste geval – de ‘aanwas’ – heeft de belastingbetaler nog geen „klinkende munt” beschikbaar om de vermogensbelasting mee te betalen. Het tweede geval – de ‘winst’ – vergt een goed bijgehouden administratie. Wanneer werd het aandeel gekocht? Wanneer verkocht? Zijn er valutaverschillen geweest?

Omdat de verschillende vermogensbestanddelen per definitie verschillend worden belast, ligt ontwijking op de loer. Als de spaarrente laag staat en de beurskoersen hoog, zou een belegger kort voor de fiscale peildatum aan het eind van het jaar snel z’n aandelen kunnen verkopen en het geld tijdelijk op de bank vastzetten.

Om die reden oppert Wiebes ook een derde variant. Daarbij wordt elke vermogenssoort over een belastingjaar achteraf forfaitair bepaald, namelijk op basis van de gemiddelde spaarrente, de gemiddelde koersindex, de gemiddelde fluctuatie van de huizenprijzen. Hoewel de zittende staatssecretaris niet op volgend kabinetsbeleid vooruit wil lopen, spreekt hij tussen de regels zijn voorkeur uit voor de laatste optie: anders dan het huidige systeem, waarbij de Belastingdienst wel even bepaalt wat de verhouding spaargeld-beleggingen in iemands vermogen is, houdt variant C rekening met de „individuele portefeuillesamenstelling”. Ook wordt ontwijking aan het eind van het jaar „minder voorspelbaar en dus minder aantrekkelijk”.

Komende week zal de Tweede Kamer in haar Algemene Financiële Beschouwingen er nader over spreken.