Recensie

De babyboomers worden steeds milder over zichzelf

Memoires In zijn politiek-culturele memoires blikt Chris van Esterik terug op zijn studentenjaren in het Amsterdam van de woelige jaren zeventig. Wantrouwen jegens leninisten overheerst zijn nieuwe levensgevoel.

Foto Nationaal Archief/ Collectie Spaarnestad/ Anefo

Als Chris van Esterik, een zoon van een kastelein en een boerendochter uit het Gelderse Ingen die goed kan leren en naar het gymnasium mag, na zijn eindexamen in augustus 1970 politicologie in Amsterdam gaat studeren, zijn de culturele jaren zestig voorbij. Ruim een jaar voordat Van Esterik als een Steppenwolf op zijn motor naar de hoofdstad rijdt, zijn de politieke jaren zeventig begonnen.

Die omslag wordt gemarkeerd door de bezettingen van de universiteiten in Tilburg en Amsterdam in april en mei 1969. Voordien lag het strand nog vrolijk onder het asfalt, zoals in 1968 op de muren werd gekalkt. Daarna wordt de ‘verbeelding aan de macht’ gewoon harde politiek. Ook in Nederland. De speelse en soms jennende revolte van Provo slaat in de lente van 1969 om in een ‘mars door de instellingen’ van Nieuw Links, CPN-studenten en ander links volk.

Van Esterik valt na de herfst van 1970 dan ook van de ene verbazing in de andere. Aan de gepolariseerde politicologenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam, waar Marx en Lenin halve heiligen zijn en professor Hans Daudt zich in een soort bezemkast heeft verschanst, waant Van Esterik zich in een ‘snoepwinkel die we ons op het dorp in geen lichtjaren hadden kunnen voorstellen’, schrijft hij in zijn politiek-culturele memoires Jongens waren we. Totalitaire verleiding in de jaren zeventig.

3009CUL Esterik

Van Esterik smult. Hij is sceptisch jegens de poeha van de dogmatische marxisten en leninisten op UvA. Maar hij wordt geraakt door de lossere linkse stemming in stad, bijvoorbeeld rond de acties tegen de metro door de binnenstad. Ook Van Esterik begint dus zijn eigen ‘toren van Babel’ te bouwen, zij het met meer relativeringsvermogen dan de spraakmakende gemeente bij de politicologen.

In de Betuwe had babyboomer Van Esterik (1949) de eerste culturele uitbarsting na de wederopbouw in naoorlogs Nederland meegemaakt. Terwijl zijn ouders zich in hun kroeg annex herberg het schompes werkten om een graantje van de consumptiemaatschappij mee te pikken, laafde zoon Chris zich aan de nieuwe muziek, films en seksuele moraal in Tiel, een provinciestad met een bescheiden arbeidersklasse en een nuffige burgerij die over het stedelijk gymnasium waakte. Over de ontbolstering van zijn omgeving en zichzelf schreef Van Esterik vijf jaar geleden een schitterend breed uitwaaierend boek: No Satisfaction.

In Amsterdam liggen de verhoudingen anno 1970 een slag anders. Van Esterik sluit daarom vriendschap met studenten die, net als hij, niet uit de seculiere elite maar uit wat lagere en veelal katholieke milieus komen. Die vriendenkring is zijn redding op de universiteit waar de tot Lenin bekeerde corpsballen en bourgeois-kinderen het hoogste woord voeren.

Consequent

Van Esterik laat zich intussen meevoeren door de colleges van professor Lucas van der Land en inspireren door de vrijzinnig marxistische docent Siep Stuurman. In die keuze is hij consequent. Hij koestert zijn hele studietijd wantrouwen jegens de in zijn ogen ‘oprecht’ gestaalde leninist Kees van der Pijl en de ‘manipulatieve standpuntenfetisjist’ Meindert Fennema, die bij het studentencorps hadden leren zooien of brassen en vervolgens die handigheid op de faculteit bekwaam politiseerden.

Van Esterik zelf heeft bovendien voor hetere vuren gestaan. Op een lange trektocht door Afrika belandt hij in Oeganda, net op het moment dat Idi Amin daar in 1972 begint aan zijn etnische zuivering onder Aziaten en ook Europeanen. Van Esterik wordt eveneens opgepakt, zit elf dagen in de cel en weet dat anti-imperialisme op dit gewelddadige niveau à la Amin geen grapje is.

In Nederland leiden de politieke jaren zeventig tot weinig. De metro komt er, zij het dat de Nieuwmarkt weer wordt opgebouwd. Het kabinet-Den Uyl hervormt, doch slechts een fractie van wat het aan ‘visie’ had beloofd. Radicaal links raakt intussen het spoor bijster. De Rote Armee Fraktion krijgt nooit vaste voet aan de grond, maar hun tierischer Ernst krijgt wel greep op het discours, zoals het Frans filosofisch ging heten.

‘Aan het eind van het decennium was de toren ingestort. Het fundament was ingestort omdat het voornamelijk uit theorieën en broos papier bestond. Binnen een decennium hadden zich opkomst, bloei en neergang van een wereldbeschouwing voltrokken. Veel meer dan een rimpeling in de geschiedenis bleek het veertig jaar later niet te zijn geweest’, concludeert Van Esterik.

Jongens waren we is zo een lieu de mémoire. Ook voor mij. Ik ging in 1974 iets verderop aan de Herengracht geschiedenis studeren en rondde dat in 1981 af, ongeveer tegelijkertijd met Chris van Esterik. Bij ons historici zongen de communisten weliswaar een toontje lager dan bij de politicologen, maar ik herken veel in het boek van Van Esterik. Wellicht hebben we elkaar in 1975 toegeknikt op de Lastageweg in de Nieuwmarktbuurt, toen ik eveneens dacht de metro te kunnen tegenhouden.

Van Esterik beschrijft al deze zinvolle dan wel bezopen toestanden stijlvol. Hij is niet altijd even accuraat. Eén voorbeeld dat mij helder voor de geest staat. De schrijver W.F. Hermans, die in het Amsterdam van Annemarie Grewel persona non grata was, omdat hij zich volgens zijn critici niet nadrukkelijk genoeg tegen het apartheidsbewind in Zuid-Afrika keerde, gaf in 1986 geen lezing in het Stedelijk Museum maar in De Balie. Felix Rottenberg was daar oprichter/directeur. Rottenberg heeft die lezing toen mogelijk gemaakt, ondanks pressie van andere PvdA’ers. Maar dat doet er niet aan af dat zijn terugblik op de jaren zeventig een interessant boek heeft opgeleverd. Van Esterik maakt de balans op van apekool en vooruitgang. Hij weegt de onzin van een kindercrèche met Lenin, maar zonder de ‘kapitalist’ Dagobert Duck, goed af tegen zin van de sociale verbreding van universiteit of stadsvernieuwing.

Belediging

En toch zitten zijn memoires me dwars. Het begint met de titel: Jongens waren we. Totalitaire verleiding in de jaren zeventig. Deze twee zinnen staan uit het lood. Nescio en Lenin laten zich niet ongestraft in één adem citeren. Dat is een belediging voor de puntgave schrijver én de ruziezoekende bolsjewiek. Het is bovendien een veilige titel. Achter de ene zin verschuilt zich de gein, achter de tweede het serieuze. Zo ontloopt de auteur zijn verantwoordelijkheid.

Is dat angst om het mes al te diep in eigen vlees te zetten? Misschien. Maar daarvoor lijkt de auteur geen reden te hebben. Chris van Esterik was in de jaren zeventig geen hoofdrolspeler, niet tijdens rellen en acties op straat, niet in de arena van de universiteitspolitiek en evenmin in de (gewelddadige) kraakbeweging die de vlag aan het eind van het decennium overnam.

Van Esterik was indertijd vooral een goede redacteur van het faculteitsblad Discorsi. Kortom, hij stond altijd aan de prudent linkse kant. Anders dan Gijs Schreuder (1947), die als hoofdredacteur van het CPN-orgaan De Waarheid wel een grote rol speelde en daarover een pijnlijk openhartig boek schreef, hoeft Van Esterik (1949) zich niet te verantwoorden. Van Esterik was geen lid van de CPN, sympathiseerde niet met de RAF en zag in 1974 op reis door de Sovjet-Unie meteen dat het ‘reëel bestaande socialisme’ bedrog was. Hij liet zich dankzij historicus Hans Blom leiden door die schitterende uitspraak van de Duitse marxist Franz Mehring (1846-1919): ‘liever feiten zonder dialectiek, dan dialectiek zonder feiten’. Kortom, Van Esterik heeft letterlijk noch figuurlijk bloed aan zijn handen. Waarom dan toch dit boek? Omdat het past in een trend: rekenschapsboeken over de jaren zestig-zeventig. Een kwart eeuw geleden werd de toon gezet met boeken als De man die faalde (1992) van Gijs Schreuders, Destructive Generation: Second Thoughts About the ’60s (1989) en Radical Son. A generational Odyssey (1997) van de Amerikaanse ex-trotskist David Horowitz of Das rote Jahrzehnt (2001) van oud-maoïst Gerd Koenen.

Maar Nederland is nu bezig met een tweede golf. Fennema publiceerde vorig jaar Goed fout. Herinnering van een meeloper. Duco Hellema, eveneens ex-communist, schreef in 2012 al Nederland en de jaren zeventig, waarin de auteur overigens minder persoonlijk wordt. Ter flankering barst het momenteel ook van de boeken die afstandelijker terugblikken op de jaren zeventig, zoals De gouden jaren van het linkse levensgevoel van John Jansen van Galen en de biografie Rob van Gennep van Geke van der Wal.

Homo ludens

De meeste van deze terugblikboeken hebben een geinige ondertoon. Sadder and wiser? Nee. De huidige rekenschapsboeken worden gekenmerkt door minder ernst en vooral minder zelfbeklag dan die van de vorige lichting. De kritisch reflecterende babyboomers worden met het klimmen der jaren kennelijk niet strenger, maar juist milder over zichzelf en de tijd. Dat moet iets met de culturele revolutie van toen te maken hebben. Er waren na 1968 nogal wat revolterende lui die zichzelf zagen als homo politicus. Het persoonlijke was immers politiek en het politiek moest ook persoonlijk worden. Terugblikkend op die pretenties wordt toch liever de homo ludens ten tonele gevoerd. Het ludieke aureool van toen dient als plechtanker voor nu.

Dat is een strategie die het gemoed inderdaad niet nodeloos belast. Maar het verklaart ook waarom de progressief kosmopolitische provocateurs uit de jaren zeventig op hun oudere dag soms wel flirten maar niet zijn opgewassen tegen de opmars van de nationalistisch-populistische provo’s van tegenwoordig.