Recensie

‘Vrouwtje komt ten hof’ en ander jolijt

Het Mauritshuis heeft 22 schilderijen uit de Gouden Eeuw in bruikleen gekregen van de Royal Collection. De meeste werden aangekocht door George IV, die wel hield van ‘een grol die de grenzen van het fatsoen tartte’.

©

Met dezelfde chique vanzelfsprekendheid waarmee postzegels uit Engeland nooit zijn voorzien van de naam van het land, is de ‘Royal collection’ natuurlijk die van het Engelse koningshuis. Die verzameling kent een lange en eerbiedwaardige geschiedenis, waarmee de functie-aanduiding van de inhoudelijk eindverantwoordelijke samenhangt. Die wordt ‘Surveyor of the Queen’s Pictures’ genoemd: opzichter van de schilderijen van de koningin. Zoals de huidige functionaris Desmond Shawe-Taylor uitlegt, draagt hij deze ietwat huiselijk klinkende titel omdat zijn baan al zo lang geleden is gecreëerd dat het moderne woord voor schilderijenconservator nog niet eens bestond.

Koningen en koninginnen van Engeland hebben in de loop der eeuwen een indrukwekkende kunstverzameling bijeengebracht, die wordt bewaard op verschillende locaties, van Windsor Castle tot Buckingham Palace in Londen en Holyroodhouse in Edinburgh. De collecties bestaan uit koninklijke parafernalia zoals serviezen, harnassen en andere werken van toegepaste kunst, sculpturen, schilderijen en bijvoorbeeld een van de grootste en belangrijkste collecties tekeningen van Leonardo da Vinci. Een selectie van 22 genreschilderijen uit de Hollandse Gouden Eeuw (in de catalogus staat er een vijftal meer) wordt nu getoond in het Haagse Mauritshuis. In het licht van de getalsmatige overdaad van de koninklijke collectie is dat misschien een weinig imposant aantal. Maar in aanmerking genomen dat deze werken nooit eerder, op deze manier thematisch samengevoegd en buiten de context van een aristocratisch paleis te zien zijn geweest, is deze expositie toch een gebeurtenis van formaat.

Huishouden van Jan Steen

Beroemde werken van de grootste meesters van de weergave van alledaagse scènes uit de Noordelijke Nederlanden zijn vertegenwoordigd: van Pieter de Hooch tot Adriaen van Ostade en van Jan Steen tot Johannes Vermeer. Jan Steen is met liefst vijf werken vertegenwoordigd, die mooi laten zien hoe wisselend van aard en kwaliteit zijn oeuvre is. Een typisch ‘huishouden van Jan Steen’ zoals dat spreekwoordelijk met deze schilder wordt geassocieerd, biedt een bijna anderhalve meter breed doek met een rommelige scène van vechtende boeren bij een herberg. Een klein bordje met het opschrift ‘dit huis is te huer’, dat onmiskenbaar een verwijzing vormt naar de herberg als hoerenkast, zal zeker hebben bijgedragen aan het vermaak dat zulke schilderijen geacht werden te bieden.

Dit platte jolijt, uitgebeeld met nogal houterige figuren, contrasteert met een wonderschoon schilderij waarin dezelfde meester een intieme scène heeft weergegeven van een jonge vrouw in haar slaapkamer, die bezig is haar kousen uit te trekken. Het interieur licht op in de deuropening die merkwaardig statig is weergegeven met klassieke halfzuilen. Met beeldelementen als het onopgemaakte bed, het hondje dat erin ligt te slapen, een openstaand sieradenkistje en de manier waarop de vrouw met haar blik contact zoekt met de beschouwer, blijkt de schilder uiteindelijk eenzelfde boodschap te brengen als in zijn herbergscène, maar dan op een heel wat subtielere wijze.

Expositie en bijbehorende catalogus maken bijna onvermijdelijk veel werk van dergelijke interpretaties, die aansluiten bij kunst- en cultuurhistorisch onderzoek naar de Hollandse Gouden Eeuw. Maar werden deze schilderijen, in hun koninklijke context in Engeland, ook zo begrepen en gewaardeerd? Uit de herkomstgegevens blijkt dat bijna alle getoonde schilderijen zijn aangekocht door koning George IV (1762-1830). Voor zijn kunstaankopen in de eerste decennia van de negentiende eeuw profiteerde hij van het grote aanbod uit verzamelingen van Franse aristocraten dat na de Franse Revolutie op de markt was gekomen. Uit oude afbeeldingen van het interieur van het Londense Carlton House waar George als kroonprins en later prins-regent woonde, blijkt dat werken van Vlamingen als Rubens en Van Dijck daar prominentere plaatsen innamen dan die van de Hollanders. Inventarissen en taxaties van de schilderijen leren echter dat de genrestukken destijds hoog werden gewaardeerd. Waarschijnlijk ook door George, van wie werd gezegd dat hij wel hield van ‘een grol die de grenzen van het fatsoen tartte’.

Te onfatsoenlijk

Bij een dergelijke karaktertekening past belangstelling voor schilderijen als die van Jan Steen, of voor werken als de Cellospeler van Gabriël Metsu, waarin een vrouw zich op bedekte wijze aanbiedt aan een muzikant terwijl haar vorige minnaar mistroostig uit het raam kijkt. Of de scène waarin de schilder Godfried Schalcken zichzelf, in een onflatteuze pose en in verregaande staat van ontkleding zittend op de grond heeft afgebeeld. Hij wordt omringd door een gezelschap van hoofdzakelijk vrouwen en is, volgens een zeventiende-eeuwse bron, verwikkeld in een nu niet meer bekend spelletje genaamd ‘Vrouwtje komt ten hof’. In 1827 noemde een Engelse criticus het schilderij ‘te onfatsoenlijk om te bespreken’.

Maar zonder twijfel had koning George ook oog voor de artistieke kwaliteiten van de schilderijen in zijn collectie. De tuinscène van de hand van Ludolf de Jongh bijvoorbeeld, waarin een groepje welgestelde jongelui zich vermeien in het zonlicht van de late middag. Of het topstuk van de expositie, een voorstelling van een dame en een heer aan een virginaal, van de hand van Johannes Vermeer. Meer nog dan de raadselachtige voorstelling wordt het oog getroffen door de ongekende intensiteit van de kleuren, zoals het blauw van de stoel in het midden dat ook terugkomt in het patroon van het tafelkleed.