Recensie

Ook een minder populaire Mahler kan een triomf zijn

Twee weken geleden dirigeerde chef-dirigent Daniele Gatti een militante en spectaculair megalomane Tweede symfonie van Mahler bij zijn Koninklijk Concertgebouworkest. Deze week leidt oud-chef Mariss Jansons de Zevende; een unieke kans om te vergelijken.

Sowieso is het heuglijk – en ongebruikelijk – dat de banden warm zijn gebleven met Jansons, die deze week ook door het publiek zeer hartelijk werd verwelkomd. En al heeft hij zijn grip op het orkest in de loop der jaren deels verloren, zijn Mahler-interpretaties behoren tot de aangrijpendste die ooit in het Concertgebouw klonken.

Mild en inclusief: de Zevende, met zijn grillige complexiteit een minder populaire Mahler, werd een triomf van orkestrale samenwerking en gecontroleerde volumes. Fenomenaal waren de soli van tenorhoorn en trombone in het openingsdeel, waar Jansons grote lijnen trok maar het lugubere gehalte relativeerde.

Verderop schitterden hoorns en houtblazers in het drukke stemmenweefsel, waarin niettemin zelfs de mandoline en gitaar hoorbaar bleven. De aloude Concertgebouworkestklank vond Jansons onder meer in fluweelzachte violen, die onsentimenteel maar geëngageerd commentaar leverden.

Jansons’ bescheiden opstelling had overigens óók tot gevolg dat het tempo in de middendelen soms wat al te relaxed achterover hing. En de ironisch-pompeuze finale kreeg van Jansons slechts twee uitroeptekens, waar Gatti er minstens vier had geplaatst.